Ons huis

Het gemak waarmee Anton de woorden uit zijn mond liet rollen, verbaasde Jules.
‘Het is allemaal niet wat je denkt,’ zo begon Anton de monoloog waarin de Grote Waarheid aan het licht zou komen. Jules vroeg zich veel zaken af. Hoe wist Anton van zijn bestaan? Hoe had hij hem gevonden? Waarom had hij tijdens hun eerste ontmoeting geroepen dat hij heel, heel erg dood wilde? Anton zou het hem uit de doeken doen, maar het was dus allemaal niet wat Jules dacht. Jules dacht eigenlijk niet zo veel, maar zei dat maar niet.
‘O,’ zei Jules, ‘het is niet wat ik dacht. Ha, dacht ik het niet.’ Zelf vond hij dit een aardig gebbetje en hij meende ermee, door zijn eigen tranen heen, de dramatische spanning die de hotelkamer leek te verduisteren ermee te doorbreken, maar Anton reageerde niet op de kwinkslag. De druppels van de ochtenddouche die hij inmiddels ongeveer drie kwartier geleden had genomen waren opgedroogd, maar hij zat nog altijd in niets meer dan een badhanddoek gekleed op Jules’ zijde van het bed.
‘Ik heb altijd geweten dat mijn moeder niet mijn moeder was,’ zei Anton, en Jules zag hoe zout vocht zich nu ook in de ogen van zijn halfbroer verzamelde. Oude mannen en hun verdriet – duizend boeken konden ermee worden gevuld.
‘Ik mocht van mijn pleegouders naar haar op zoek gaan zodra ik achttien was. Maar mijn hoofd stond er niet naar, ik was bezig met andere zaken. Mijn geld uitgeven bijvoorbeeld, in de discotheken en cafés. Avonden zat dat ik mijn vrienden kwijt was en om drie uur ’s nachts alleen op de dansvloer stond. Op de terugweg naar huis vroeg ik dikwijls een mannequin in de winkeletalages ten huwelijk, jankend viel ik op m’n knieën. Ik was met veel zaken bezig, maar niet met een geschiedenis die alleen op papier echt de mijne was. Die interesse kwam pas later – veel later. Ik moet een jaar of dertig zijn geweest toen ik op onderzoek uitging en er via het adoptiebureau al vrij snel achter kwam dat wij onze moeder deelden.’
Anton zuchtte. Jules zag voor zich hoe zijn halfbroer geknield voor een paspop zijn tranen probeerde te verdringen.
‘Ongeveer een jaar later vond ik haar. Ik sprak met je moeder, onze moeder, nou ja, ik sprak met haar af bij mij thuis. Toen ze aanbelde en haar silhouet zich door mijn glazen voordeur aftekende, voelde ik mijn hart in mijn keel bonken. Toen ik opendeed zag ik dat ze een enorme boodschappentas bij zich had. “Voor jou,” was het eerste wat ze zei, wijzend op de tas. Ze had verdomme boodschappen voor me gedaan. Er zat alles in, verse melk, eieren, hagelslag, maar ook pannenkoekenmix en een voordeelverpakking volkoren tortillawraps. “Ik wist het anders ook niet,” zei ze verontschuldigend. We namen plaats op de twee tegen over elkaar staande banken in mijn woonkamer. Was het aanvankelijk nog natuurlijk onwennig, al snel vertelde ze me alles wat ik wilde weten - en meer. Over hoe ze, en het spijt me dat ik je dit zo botweg moet vertellen, maar het is nu eenmaal niet anders, over hoe ze werd verkracht toen ze zestien was. De man werd gepakt en veroordeeld, maar van een abortuswet was natuurlijk nog geen sprake. Ik moest ter wereld komen, er zat weinig anders op. Mijn moeder vertelde dat ze haar ogen gesloten hield toen ik kwam, en dat ze ze pas weer opende toen ik de ruimte had verlaten, op mijn weg naar ouders die me een écht leven konden geven. Ach, die middag en avond … we restaureerden tijden die nooit waren geweest. Mooi, al zeg ik het zelf.’
‘Ja,’ zei Jules, en voelde ondanks het vroege middaguur een hevige behoefte aan alcohol, aan een roes die hem het aandachtig luisteren onmogelijk zou maken.
‘Ze schaamde zich rot,’ ging Anton verder. ‘Voor haar ouders, die zoals ik het begrepen heb de wetten van het christendom hoger achtten dan die van de staat, voor mij, maar later ook voor je vader en voor jou. Ze heeft er toch altijd over gezwegen?’
‘Ja.’
‘Hm.’ Een stilte, die alleen werd onderbroken door het droge tikken van de klok aan de verder kale hotelmuur, trad in.
‘Ik was op haar begrafenis,’ zei Anton na een tijdje. ‘We hielden altijd contact, tot het bittere einde. Ik zat achterin de zaal, ik zag hoe je naar voren strompelde en je woorden zei. Er sprak een … een onvoorstelbare liefde uit. Toen merkte ik dat ik niet thuishoorde op haar begrafenis en heb ik de zaal verlaten.’
‘Dat was niet nodig geweest. Jij hoorde daar net zo goed als ik.’
‘Dat is niet waar Jules, en dat weet je zelf ook. Voor jou was ze een moeder, voor mij alleen de voordeur naar de wereld. Maar goed, die middag zag ik jou voor het eerst. Ik kwam erachter dat je in de supermarkt werkte. Soms ging ik er boodschappen doen en heel af en toe zag ik jou dan. Ik had de ballen niet om op je af te stappen. Nooit, tot die avond waarop ik te veel had gedronken – wat me overigens wel eens vaker gebeurt, maar daar weet je inmiddels meer vanaf dan je lief is, geloof ik. Quasi-manhaftig wandelde ik ‘s avonds naar de winkel en vroeg naar je, maar je bleek drie dagen daarvoor met pensioen te zijn gegaan. Jules, ik kan je vertellen dat dat weinig opbeurend werkte. Daarom besloot ik tot een wandeling, want wat moest ik immers anders dan door doelloze bewegingen van armen en benen het leed verdrijven, maar door de promillages die door mijn bloed gierden, verdwaalde ik. Het is zo ongeloofwaardig dat ik het niet zou geloven als ik het zou lezen, maar toen ik die nacht door de straten van onze stad zwierf, zag ik plots jou. Ik dacht dat ik het me verbeeldde, maar dat was niet zo, want je reageerde toen ik op je afstapte en je naam noemde.
Anton zuchtte dieper dan diep.
‘Zo, genoeg geouwehoerd. Als je vragen hebt, bewaar je ze maar even, want ik kruip nog even terug in bed. Ik ben kapot. Hoe staat het er emotioneel bij jou voor?’
‘Dat gaat wel,’ antwoordde Jules. Hij wilde graag weten waarom zijn halfbroer, die hij gemakshalve gewoon als zijn broer was gaan zien, die avond had geschreeuwd heel erg dood te willen, maar Jules was een gehoorzaam mens en stak de vraag in een laatje van het organisatorisch uitmuntend bureau in zijn hoofd. Dat was in orde, maar hij moest nog wat kwijt. Het had even geduurd, maar het was er nu het juiste moment voor.
‘Anton, in plaats van nog even terug in bed kruipen wil ik graag naar huis. Naar mijn huis. Naar ons huis.’ Een onvervalst snikken ving aan, in een indrukwekkende stereofonie.

Terug