Liefde is lijden

Naast zijn vrouw en het meisje dat dikke boeddhababy´s met Jules wilde maken, was er één andere liefde in zijn leven geweest. Alhoewel het al lang geleden was dat ze was vertrokken, stond de herinnering aan haar Jules nog helder voor de geest.

De galm in zijn studentenkamer was almaar nadrukkelijker aanwezig nadat ze haar koffer had gepakt. ‘Dat is eigenlijk mijn koffer,’ had Jules willen zeggen toen ze haar pyjama woest opvouwde en de reiskist onder het bed vandaan toverde. Het was de koffer die Jules mee had genomen op elke van hun ontelbare weekendjes weg doorheen Nederland en België – een simpel maar degelijk ontwerp dat hij van zijn vader kreeg toen hij het huis uit ging. Niet veel later was het meisje bij Jules ingetrokken, in een kamer die te klein was voor twee mensen. Waarschijnlijk, dacht Jules later, lag dat feit aan de grondslag van haar vertrek.
Hij liet haar begaan, zo belangrijk was de koffer ook weer niet. Ze zou niet meer terugkomen, zei ze driemaal, vast zodat hij geen valse hoop zou koesteren. Jules dacht: het is alsof ik naar een ongeluk op de snelweg sta te kijken. Ik wil het niet zien, maar ik moet toch blijven kijken. Dat ongeluk, de over de kop geslagen auto waaruit een stervend personage zichtbaar is, dat zijn wij zelf.
Jules beloofde hardop niet vals te hopen, en voegde daar aan toe dat hij dat zou doen door simpelweg elke vorm van hoop te laten varen, met een gezicht dat van elke emotie verstoken is vanaf de kade uit te zwaaien.
Hij keek toe hoe ze na haar pyjama ook stapeltjes van haar ondergoed, hemdjes en jurken in de koffer propte. Omdat niet alles paste, liep ze razend naar de voorraadkast en diepte daar een plastic boodschappentas uit op. Nadat ze een aanzienlijk gedeelte van haar kleding had ingepakt, was ze naar de keuken gelopen en laadde wat pannen in. ‘Van mijn ouders gekregen,’ mompelde ze voordat Jules iets had kunnen zeggen of vragen, ‘en dus van mij.’ De stomheid sloeg Jules haast knock-out, maar in de verdediging ging hij niet. Hij liet de verbazing beuken, in zijn maag en op zijn hoofd, in de hoop dat het licht spoedig uit zou gaan. Dat gebeurde niet, want even later zag hij hoe ze ook de kussenslopen van de kussens op de bank aftrok en in de tas stak. Daarnaast pakte ze nog het mens-erger-je-nietspel, een decoratief vaasje met een houten tulp, een kandelaar en de theedoos in. Liefde is lijden, daar was Jules inmiddels wel achter, maar overdrijven bleek ook een kunst. Alles wat haar zou kunnen toebehoren, nam ze mee – met uitzondering van de knuffelhond en -beer die Jules ooit voor haar won op de kermis. De avond dat hij ze gewonnen had, zette ze de beesten neer op de hoek van het bed. Elke avond haalde ze de knuffels daar weer vanaf en elke ochtend zette ze ze weer op hun plaats. Jules had zich wel eens afgevraagd of ze dat deed uit schuldgevoel, alsof ze hem wilde laten zien hoe blij ze was met de knuffels en ze daarom overdreven vertroetelde, of dat ze er echt een bepaalde genoegdoening uit haalde. Hij had het haar nooit durven vragen.
Met de koffer en de boodschappentas in haar handen liep ze de deur uit. ‘Ik kom echt niet meer terug,’ zei ze om het onvermijdelijke te herbevestigen. Jules zei dat hij het niet zou vergeten. Ze zou niet meer terugkomen.

En toch, toch verbaasde het Jules ergens dat ze zich aan haar woord hield. Meermaals per week kwam het voor dat hij ’s nachts wakker schoot uit dromen waarin voor haar een hoofdrol was weggelegd. Hij stond dan op en dronk uit het glas water op zijn nachtkastje. Als hij daarna weer wilde gaan slapen, bleek dat meestal onmogelijk. Uit onderdrukte wanhoop besloot hij in die situaties de nacht dan maar rustig uit te zitten, een hoofdstuk of drie uit een boek te lezen, wachtend en hopend op beterschap die vrijwel nooit kwam.
Uiteindelijk, uiteindelijk deed de tijd zijn werk en sliep hij nachten door. Jules stond het zichzelf soms zelfs toe om, heel voorzichtig, terug te denken aan de jaren die hij samen met haar had doorgebracht. Hoe hij haar drie jaar eerder op een terras had zien zitten, lezend uit een krant. Hoe ze van die krant had opgekeken, naar hem had geknipoogd. Hoe hij vanaf dat moment elk meisje dat zich interesseerde in het wel en wee van de maatschappij onuitstaanbaar verleidelijk had gevonden. Hoe ze zijn hoofd licht had gemaakt met die knipoog. Hoe ze … hoe ze even later in zijn bed lag. Hoe ze zei dat dit niet deed, nooit eigenlijk. Hoe ze dat toch deed, voor deze ene, ene keer. Hoe hij de huid van haar hand had verwelkomd, en hoe hij alles wat er daarna gebeurde met een op dronkenschap gelijkende roes steeds een seconde later dan het gebeurde pas gewaarwerd. Hoe haar mond ook al. Hoe hun eerste vakantie uitmondde in een haast definitieve breuk. Hoe ze daar later hartelijk om hadden gelachen – ach, hun jonge naïviteit. Hoe ze na anderhalf jaar doodsbang bleken voor een zwangerschap toen het bloeden niet aanving en hoe extatische blijdschap zich een halve dag later van hen meester maakte toen het plots toch kwam. Hoe hij thuiskwam na een dag in de studiebanken en hoe zij dan niet had gekookt en hoe hij daar dan ook geen zin in had en hoe ze dan twintig minuten later in de snackbar stonden en hoe ze daar niet konden kiezen uit de eindeloze rijen snacks. Hoe stom het was geweest dat Jules de natuur zijn eigen gang had laten gaan. Hoe stom zijn driften. Hoe stom die formulering eigenlijk was. Hoe stom, hoe godverdomde stom. Hoe ze de koffer …

Hoe hij, toen het verdriet naar de achtergrond van zijn gemoed was verdwenen, besloot om voor een korte vakantie naar Maastricht af te reizen, waar de ouders van een van zijn goede vrienden een camping bezaten. Hoe toen…

Terug