Het is mama

Jules zat op zijn bank en at een mandarijn. Hij zag hoe op de televisie een man een vrouw ten huwelijk vroeg. De vrouw knikte, eerst vol ongeloof maar daarna almaar harder, zelfverzekerder. Na een paar seconden leek het alsof ze haar hoofd van haar romp zou knikken. Terwijl hij de mandarijn ontschilde, overdacht Jules de gebeurtenissen van de afgelopen weken. Zeer recent nog stond hij dagelijks in zijn supermarkt en stuurde hij zijn mensen aan met het grootste gemak. Sinds Anton als antagonist in zijn leven fungeerde, moest hij moeite doen zichzelf aan te sturen, om ’s ochtends uit zijn bed te kruipen, zich te scheren. Als hij er langer over nadacht, wist hij eigenlijk niet welke van de twee periodes in zijn leven hij comfortabeler vond – en juist die twijfel joeg hem een lichte angst aan. De vijand van angst is acceptatie, zo wist Jules gelukkig. Daarom haalde hij zijn schouders op en stopte, zo ongestoord door het leven als mogelijk, zes mandarijnpartjes tegelijk in zijn mond.
‘Past het erin?’ vroeg de jongen naast hem. Toen hij voor de deur stond, sneller dan verwacht, had Jules hem aanvankelijk niet herkend. Waarom dat niet lukte wist hij niet, hoe hard hij er ook over nadacht. Hoe kwam het dat hij de jongen, zijn jongen, niet meteen herkende? Hij had zichzelf wijsgemaakt dat het kwam door het vlassige baardje dat de jongen bleek te bezitten, de vorige keer was zijn gezicht nog kaal geweest, maar Jules wist goed dat de ware oorzaak ergens anders lag.
De vader knikte. ‘Het past,’ antwoordde hij, haast onverstaanbaar door de hoeveelheid fruit in zijn mond.
Op tv huilden de man en vrouw in elkaars armen. De jongen nam de afstandsbediening en zette de televisie uit. ‘Had je echt verwacht dat ik niet zou komen?’ vroeg hij daar meteen achteraan. Subtiliteit, dat zat niet in de genen, en datzelfde gold voor de kunst van het voeren van conversaties over nietszeggendheden. Zo vlug mogelijk ter zake komen, daar draaide het uiteindelijk allemaal om.
‘Weet ik niet.’
‘Natuurlijk kom ik. Ik heb alles uit mijn handen laten vallen. Waarom moest ik komen? Ik schrok me rot.’
‘Weet ik niet.’
‘Je weet niet waarom ik moest komen?’
‘Nee.’ Jules stopte, om de conversatie op dit punt een abrupte halt toe te roepen, de resterende partjes in één keer in zijn mond. Dat paste nog minder dan de vorige keer, waardoor wat sap uit zijn mond via zijn kin op zijn kleding droop. Waar hij had verwacht dat zijn zoon hoofdschuddend zou grinniken, stond hij zuchtend op en kwam terug met servetjes, die hij zwijgend aanreikte.
‘Papa,’ zei hij, ‘ik wil je best helpen, maar dan moet je wel je mond opentrekken.’
Dat begreep Jules. ‘Ja,’ zei hij daarom, en stak van wal. In minder dan twintig minuten vertelde hij over de voorvallen van de weken die aan hem voorbij waren gevlogen alsof hij ze gedroomd had. Over de eerste dagen van zijn pensioen, over hoe hij eigenlijk nog niet geaccepteerd had dat hij niet meer voor de maatschappij hoefde te zorgen, maar dat de maatschappij hem nu hielp, over de slapeloze nachten, over Anton. ‘Dat is je oom,’ mompelde Jules, wijzend op Anton die ze door het raam plukken onkruid uit de tuin zagen trekken alsof hij er de Apocalyps mee zou kunnen voorkomen, zolang hij maar fanatiek genoeg wiedde. De jongen knikte, leek te lachen.
‘Mooi,’ zei hij, ‘maar waarom moest ik dan komen?’
Jules groef in zijn gedachten om zo vlug mogelijk een antwoord te geven dat voor zowel zijn zoon als voor hem aanvaardbaar was. Met een leugen zou hij niet wegkomen, maar aangezien hij de waarheid niet kende, zat er weinig anders op dan ter plekke een reden te verzinnen.
‘Ik was benieuwd of je al een vaste vriendin hebt.’
Nu wist Jules het zeker: de jongen lachte. Dat had hij niet vaak mogen aanschouwen, zijn lachende zoon. De jongen was vroeger meermaals weggelopen om op avontuur uit te gaan, maar na tien minuten keerde hij telkens terug om te kijken of zijn moeder en Jules hem wel eindeloos zouden uitzwaaien in de deuropening, zoals was afgesproken. De wereld was hem ernst.
‘Is het mama?’ vroeg de jongen, en meteen was het alsof Jules in zijn gezicht werd geslagen door het besef alleen te zijn op de draaiende kloot die we ons thuis noemen.
‘Ja,’ zei hij, ‘ja. Het is mama.’ Hij haalde diep adem en zijn hand kneep de mandarijnschilletjes haast tot moes.

Terug