Een vleesgeworden omhelzing

Terwijl de vogels buiten voor de eerste keer die dag hun borstkas volzogen met lucht om die er al fluitend weer uit te persen, zat Jules versuft op de donkerbruine fauteuil die hij kreeg uit de erfenis van zijn moeder. Hij zag haar er nog altijd in zitten, een pan met koud water tussen haar benen. Vanaf zijn speelmat keek hij toe hoe de aardappels die ze jaste een voor een in het water plonsden.
‘Voor het koken moet er al een beetje zout in,’ leerde ze hem, ‘zodat de aardappels meer smaak hebben als ze straks gekookt zijn. Zout prikkelt het puntje van de tong, wist je dat?’ Nadat ze dat zei stak ze haar tong uit naar de kleine Jules, die dat prachtig vond – keer op keer op keer.
Zijn moeder was een zachtaardige vrouw geweest– zo eentje die in sprookjesboeken de tegenhanger vormt voor boze stiefmoeders en heksen. Een vleesgeworden omhelzing, troost in menselijke vorm. Hij was nooit vergeten hoe ze met ontelbare kussen zijn eerste gebroken hart had weten te lijmen toen hij eigenlijk al te oud was om door zijn moeder gesust te worden. Toen ze jaren geleden ziek werd en zichzelf steeds verder van het leven verwijderde, was zijn gelijmde hart weer gebroken. Niemand had het daarna nog kunnen lijmen, ook Jules’ vrouw niet.
De relatie die hij en zijn moeder hadden, was er een waar zeer velen jaloers op zouden zijn. Zo ook Jules’ vader, die er gedurende zijn loopbaan als verantwoordelijk ouder niet in slaagde een gezonde band met zijn zoon op te bouwen. Zeer waarschijnlijk kwam dat doordat hij zijn vaderlijk ambt vanaf de dag dat Jules schreeuwend ter aarde kwam, niet heel serieus nam. Zoals dat in zoveel verhalen gaat, was ook Jules’ vader eerder dan in zijn zoon geïnteresseerd in de randzaken des levens. Zo zag hij zichzelf als studieobject in zijn onderzoek naar de effecten van alcohol op het lichaam van mannen van middelbare leeftijd en scheen hij er, als Jules de verhalen van de kroegvrienden van zijn vader tenminste mocht geloven, zeker twee en misschien wel drie minnaressen op na te houden. De verhalen die Jules’ vader thuis over zichzelf vertelde, bleken na de dood van zijn moeder niets meer dan leugens, sommige met enkele kleine waarheden aaneen geniet. Jules had zich zeer vaak afgevraagd hoe zijn moeder ooit ‘ja’ tegen zijn vader had kunnen zeggen. Welke ondeugd had haar gedreven? Was het angst? Naïviteit? Nooit had Jules´ vader verteld wie hij werkelijk was, nooit had hij het achterste van zijn tong laten zien. Niet tegenover zijn vrouw en niet tegenover zijn zoon.

Dat zijn moeder en hij echter dingen voor elkaar achter zouden houden, had Jules jarenlang voor onmogelijk gehouden. Juist daarom was hij zo geschrokken van wat de oude man hem die nacht had verteld. Dat zijn moeder al die jaren tegenover hem haar mond had kunnen houden, verbaasde hem meer dan hij kon laten merken.
‘Je hebt de verkeerde,’ zei Jules tegen de man die hij zelf zijn huis had binnengeleid, maar die toch als een ongewenste indringer voelde. Hij voelde hoe het bloed zich uit zijn gezicht verwijderde.
‘Nee,’ zei de man. ‘Sorry Jules, maar het is zoals het is.’
Jules nam de fles wijn van de salontafel tussen hen in en dronk een flinke slok uit de fles. Waarom, vroeg hij zich af, waarom heeft ze het niet gewoon gezegd? Het was een foutje, dat kan gebeuren. Een foutje met de man, de jongen nog, vóór zijn vader. Zelf had hij in zijn leven ontelbare foutjes gemaakt, en hij was er nooit voor teruggedeinsd die met een vergoelijkende glimlach toe te geven. Maar: waarom had zijn moeder een kind verzwegen? Waarom had ze het bestaan van zijn broer, halfbroer verheimelijkt? Had zijn vader van het bestaan van Jules’ halfbroer af geweten, of had ze ook tegenover hem haar mond gehouden? Hoe oud, hoe jong was zijn moeder geweest toen ze beviel? Ouder dan achttien kon ze gezien het leeftijdsverschil tussen Jules en de man toch niet zijn geweest? Waarom had ze haar eerste kind na de geboorte meteen afgestaan aan een pensionaat? Was ze bang voor de reacties van haar gelovige familie? Hadden zij er eigenlijk wel van geweten? Waarom had ze tegenover Jules gezwegen? Hij zou haar toch nooit veroordelen? Waarom was zijn halfbroer midden in de nacht op straat opgedoken? Wat was zijn plan? Waarom wilde hij heel erg dood? Waarom? Waarom? Waarom?

Het waren allemaal vragen waarop Jules geen antwoord had gekregen, simpelweg omdat hij ze niet had gesteld. Hij had gestameld, was van zijn fauteuil opgestaan en had de oude man omhelsd omdat hij dacht dat zo hoorde. Deze had zich de omhelzing laten welgevallen en was zelfs in snikken uitgebarsten. Dat snikken ging Jules te ver. Hij duwde de man van zich af en liet hem de logeerkamer zien. Ooit was het de studeerkamer van zijn vrouw geweest, maar enkele jaren geleden had hij het grootste gedeelte van haar spullen naar zolder gedaan en er een bed neergezet dat hij bij de kringloopwinkel voor twee tientjes op de kop had getikt. Je weet maar nooit, zo redeneerde Jules. Dat was althans wat hij zichzelf wijsmaakte, zodat hij niet zou hoeven toegeven dat hij alleen naar een geschikte reden zocht om de kamer van de spullen van zijn vrouw te ontdoen.
Hij had de man welterusten gewenst en de deur achter zich dichtgetrokken. Hij wist niet waarom, maar Jules vond het, stilstaande op de derde trede van de trap, prettig dat het lage gegrom van een alcoholisch snurker zijn gehoorgangen vulde. Het bed werd beslapen. Er sliep iemand in het huis dat hij lang, lang geleden met zijn vrouw kocht. Iemand anders dan hijzelf. Hij kon zich niet meer goed herinneren wanneer dat voor de laatste keer was voorgevallen. Voor heel even deed dat voldane gevoel hem alle vragen van die avond vergeten, en voor iets beters had hij op dat moment niet kunnen wensen.

Terug