Terug

Ziek

De dood staart met grijsgroene ogen de wereld in. Ik kan dat zeggen omdat ik eens recht in z’n ogen heb mogen staren. Dat klinkt redelijk dramatisch en dat is het eigenlijk ook wel. Hier volgt een levensveranderende geschiedenis in vierhonderd woorden.

‘Ik heb eigenlijk een beetje hoofdpijn,’ zei ik tijdens een van de eerste weekenden dat ik mezelf een brugpieper mocht noemen. Omdat ik niet al te vroegtijdig de handdoek in de boksring die het huiswerk toen al vormde wilde gooien, zette ik me dapper aan bergen wiskundesommen en taalkundige ontleedvraagstukken. Na een half uur merkte ik dat mijn bonkende kop deugdelijk werk belette en dus besloot ik tot een kleine pauze op de bank, waar ik al snel in een zweterige koortsdroom belandde.

De uren daarna bleken mijn griepverschijnselen niet bepaald af te nemen. Ik had het op hetzelfde moment ijskoud en bloedheet, had hoofdpijn en was kotsmisselijk. Ook mijn oriëntatievermogen liet na een tijdje steken vallen. Als klap op de vuurpijl waaide vanuit het niets een onbegrijpelijke verwardheid op.
‘Eerst maar een nachtje lekker slapen. Morgen meld ik je gewoon ziek,’ zei mijn moeder op zondagavond. Ik moet wat gemompeld hebben en in slaap zijn gevallen.

De ochtend nadien voelde ik me niet beter. Integendeel: alle symptomen bleken verergerd, maar de verwardheid had een fenomenale inhaalslag op de rest behaald: ik herinner me een gevoel van draaierigheid en afwezigheid die ik nu nog af en toe op zaterdagavonden ervaar, maar dan met een duidelijk aanwijsbare boosdoener. Goddank gingen bij mijn moeder enkele alarmbellen rinkelen toen ik niet meer in staat bleek van mijn bed op te staan om naar het toilet te gaan. Ze belde de huisarts, die binnen een half uur aan mijn bed stond.
‘Doe je kin eens op je borst,’ zei hij. ‘Lukt niet,’ murmelde ik en vijftien minuten later werd ik in een ambulance met gierende sirenes naar het ziekenhuis vervoerd.

Na een uiterst pijnlijke ruggenprik werd aldaar de diagnose hersenvliesontsteking gesteld. Terwijl levensbedreigende bacteriën mijn hersenen voorgoed op een pauzestand trachtten te zetten, deden de artsen in het ziekenhuis waarvoor ze waren opgeleid. Haast sneller dan waarneembaar kreeg ik via een infuus antibiotica toegediend. Op mijn hippe verrijdbare hospitaalbedje werd ik daarna naar een eigen kamer gereden. Dit alles heb ik overigens alleen van horen zeggen: de verwardheid waar ik dus blijkbaar als gevolg van de hersenvliesontsteking mee kampte, had dusdanig in intensiteit toegenomen dat ik niet realiseerde te balanceren op een touw boven het ravijn des doods.

Godzijdank – echt, God zij dank – kwam alles goed. Na een kleine twee weken werd ik ontslagen uit het ziekenhuis en mocht ik thuis, waar ik met slingers en ballonen werd ontvangen, bijkomen van alle misère. Anders dan veel anderen heb ik niet veel aan de hersenvliesontsteking overgehouden: slechts wat kleine dagelijkse ongemakjes en, en dat is het belangrijkste van alles, een niet te stoppen levenslust.



Terug