Terug

Zeester

Vrijdagmiddag, drie uur. Nog honderdtwintig minuten voordat het almachtige weekend aanbreekt – twee dagen van allesoverheersende zonneschijn in elke denkbare vorm. Ik wandel de docentenkamer binnen en nadat ik koffie heb gepakt, neem ik plaats aan de grote tafel, waar twee dames vrolijk kakelen over de zaken des levens. Mijn tactiek in situaties waarin vrouwmensen met elkaar spreken is vanaf mijn puberteit deze: zitten, eventueel luisteren en in ieder geval, hoe dan ook, links- of rechtsom, mijn lippen met een imaginaire sleutel afsluiten zodat ik geen stupiditeiten uitkraam. Het is een slimmigheid die in de brugklas van een goede vriend leerde die op veel gebieden op mij voor lag: meng je nooit in gesprekken tussen vrouwen. Negen van de tien keer krijg je ruzie en dan heb jij het gedaan, ook al heb je dat per definitie niet. Ik was ervan overtuigd dat hij daar nog iets aan toe had gevoegd, maar wat dat was, was in de rommelkamer van mijn hersenen verloren geraakt.

‘Je moet ze vooral het gevóél geven dat je wil,’ hoorde ik terwijl ik de tijd nam om een theezakje in en uit het kokende water te nemen. De langzame verkleuring van het water maakte me rustig. ‘Het gaat er niet om dat je wil, maar dat zij denken dat je wil.’ God sta me bij, dacht ik, het moment is gekomen. Het moest er ooit van komen.
‘Ja!’ werd uitbundig beaamd, ‘ja! Zo is het maar net. Je reinste acteerwerk, dat is het. Ondertussen doe ik gewoon “de zeester”.’
Een stilte viel.
‘De zeester?’
‘Met je armen en benen uit elkaar, liggen wachten tot het weer voorbij is.’
Desnoods Boeddha of Mohammed, dacht ik, mentale noodsignalen naar de hemel zendend, help een jongen in nood. Ik ga hier niet aan ontkomen, dacht ik, en dat klopte. Nog geen vijf seconden van hysterisch hyenagelach later:
‘Toch, Toon?’
‘Zeker,’ zei ik. ‘De zeester, daar zijn we dol op.’ Nooit eerder verlangde ik zo intens naar de nabijheid van een andere piemeldrager, maar die leek niet in de buurt. Ik nam een slokje van mijn thee, inmiddels haast troebel, en stond op. ‘Ik ga weer eens aan het werk,’ mompelde ik, ‘laatste loodjes voor het weekend.’ Toen ik weer plaats had genomen achter mijn bureau en een stapel toetsen die schreeuwend verlangden om beoordeeld te worden voor me had uitgestald, schoot me plots de rest van de woorden van mijn jeugdvriend te binnen. ‘Vrouwen zijn er om lief te hebben, niet om begrepen te worden,’ zei hij – dat had hij ooit ergens gelezen. Wat hij ermee wilde zeggen: ‘Vrouwen zijn gevaarlijk, maar je hoeft niet bang voor ze te zijn. Onderbreek nooit een gesprek, maar spreek in godsnaam mee als ze je bij een gesprek betrekken. Wie weet wat er te halen valt.’ Nu had ik niet direct de behoefte om iets ‘te halen’, toch liep ik terug de docentenkamer in. ‘Verkeerde thee,’ zei ik, mieterde de inhoud van mijn beker in de gootsteen en schonk nieuw heet water in.
‘Die zeester,’ zei ik terwijl ik een theezakje in het water legde, ‘dat moet je niet doen. Je moet het willen of niet willen. Ja. Dat is mijn uitspraak en daar moet u het mee doen.’
Ik liep weer weg, richting mijn computer. Toen ik eenmaal zat, brak de zon door de wolken. Het klopt, dacht ik. Vrouwen zijn gevaarlijk, maar je hoeft niet bang voor ze te zijn.



Terug