Terug

Wegwaaien

Een aantal maanden geleden besprak in mijn klas het gedicht De idioot in het bad van Vasalis en kwam daarbij met leerlingen te spreken over dementie. Velen bleken dat van dichtbij te hebben meegemaakt of nog steeds mee te maken.
‘Heeft u ook dementie?’ vroeg een meisje gekscherend, doelend op mijn geheugengebrek als het aankomt op wie precies welk huiswerk voor wanneer af moet hebben.
‘Nee,’ antwoordde ik. ‘Gelukkig niet. Maar ook ik maak het van dichtbij mee.' Ik twijfelde drie seconden, ging op een lege tafel op de eerste rij zetten en vertelde.

‘Sinds een paar maanden kennen we de oorzaak achter de vergeetachtigheid van zowel mijn opa als mijn oma. Oma ging al langere tijd wat achteruit, maar een tijdje terug begon mijn opa ook wat vreemde trekken te vertonen. Onderzoek wees uit dat eiwitten de boosdoener zijn.’
Ik stopte even met praten en keek de klas rond. Op de achterste rij klapte iemand zijn laptop dicht.
‘Het opmerkelijke is dat de rollen omdraaien. Terwijl ik net als jullie naar volwassenheid toe groei, groeien zij er hand in hand steeds verder vandaan. In plaats van dat zij mij een kopje soep geven, moet ik het nu voor hen opscheppen en voorzetten. Ondertussen let ik goed op of ze niet knoeien. Als ik met mijn opa in de tuin zit en hij zegt dat hij het warm heeft, help ik hem met het uittrekken van zijn vest. Ik vertel mijn oma waar ze de frisdrank heeft neergezet en hoe het koffiezetapparaat, waar ze al dertig jaar koffie mee zet, werkt als ik op bezoek kom.’
Een meisje stak haar vinger op, maar ik wuifde het weg. ‘Wacht even,’ zei ik. ‘Zometeen mag je.’ Ik vervolgde mijn verhaal.
‘Zie het als van die rijpe paardenbloemen met tientallen, honderden van die witte zaadjes die langs de kant van een weg of in het stadspark staan. In een zonnige meimaand staan ze klaar om door de wind verspreid te worden. Nu eens is het windstil, dan staat er een flinke lentebries. De paardenbloem verliest zeker maar gestaag wat hem een paardenbloem maakt. Mijn opa en oma zíjn twee van die paardenbloemen in het park. Ze verliezen hun zaadjes in een behoorlijk rap tempo en kunnen niets doen dan machteloos toekijken. En dat doet pijn.’
Ik slikte en knikte naar het meisje dat zojuist haar vinger in de lucht had gestoken, ten teken dat ze mocht vragen wat ze wilde vragen.
‘Meneer,’ zei ze twijfelend, terwijl ze haar armen spreidde. ‘Wilt u misschien een knuffel?’



Terug