Terug

Wachtkamer

Pijn aan je schouder, uitslag tussen je tenen of een bloeduitstorting door ‘n zuigzoen, bij de huisarts is altijd iets te doen. Deze zin, die op schrift toch minder lekker loopt dan gesproken, bedacht ik toen ik vanmorgen met een roddelblaadje op schoot in de wachtkamer van de huisdokter zat. Nadat ik de zin opschreef in mijn notitieboekje ambieerde ik kort een carrière als tekstschrijver voor een volkszanger, maar al relatief snel verwierp ik die gedachte. Die zuigzoen kwam me te gekunsteld voor.

Desalniettemin bleek er bij de huisarts inderdaad behoorlijk wat te doen. In de wachtkamer hadden uiteenlopende types een stoeltje bemachtigd: naast me zat een oude man van wie ik me oprecht afvroeg of hij al dood was of alleen maar zulke aroma’s verspreidde. Naast hem een jonge vrouw die, anders dan ik, het roddelblaadje op haar schoot daadwerkelijk aan het lezen was. Ik bewonderde haar doorzettingsvermogen. Aan de andere kant van de wachtkamer zaten een jonge moeder en een kleuter op haar arm. Het jongetje trok zich niets aan van de nog ontwakende trommelvliezen van de andere wachtenden en schreeuwde zijn longen uit zijn kleine lijf. Een afkeurende blik van de man naast me – dood was hij dus blijkbaar toch niet – temde zijn gekwaak, maar toen de huisarts mijn buurman even later naar zijn kamertje riep, hervatte hij, tot grote wanhoop van zijn moeder, zijn toneelstuk. Waar het hem precies om te doen was, bleef mij in de daarop volgende minuten onduidelijk, maar dat het menens was, stond buiten kijf. Met een bewonderenswaardig gevoel voor timing en volume gilde het jongetje na een korte preek van zijn moeder heel nog snoozend Sittard en omstreken klaarwakker. ‘Meneer Roumen,’ zei een vertrouwde stem, iets harder dan gebruikelijk plotseling. Ik stond op, schudde de hand van de huisarts en liep achter hem aan.

Toen tien minuten later aan mijn consult een einde was gekomen, wandelde ik door de wachtkamer weer naar buiten. De moeder en het kind zaten er nog en het leek erop dat ‘het probleem’ nog niet was opgelost: woorden als krijsen en loeien dekken niet voldoende de lading van wat het kleurtje aan decibellen voortbracht. De vrouw met het roddelblaadje was ook nog altijd wachtende, en er hadden zich enkele nieuwe patiënten gemeld.
‘Fijne dag verder,’ zei ik tegen niemand in het bijzonder bij het verlaten van de ruimte. Er werd hier en daar wat onverstaanbaars terug gemompeld. Eenmaal buiten schoot het me gelijk te binnen. Ik dacht: eerder iets met geel en groen dan iets met een laffe zuigzoen. Ik kon een kleine glimlach niet onderdrukken.



Terug