Terug

Wachten

´We hebben gewonnen,’ riep ik hysterisch gillend, ‘we hebben het!’ Lisa, die juist een handje zwartverkleurd kleingeld van een langbebaarde, hevig naar composthoop riekende zwerver aannam en hem daarvoor in de plaats een pakje shag overhandigde, legde me met een strenge blik het zwijgen op.
‘Ik ben aan het werk,’ zei ze afgemeten. ‘Dat weet je best. Half zes ben ik klaar.’

Ik droop af. Op een bankje voor de supermarkt nam ik plaats en ik keek naar het verlichte schermpje van mijn telefoon. Een foto van Lisa en mij, vorige lente genomen in een door bloesem verlicht bos. Half zes, dat waren nog twee uur. Honderdtwintig minuten, ruim zevenduizend eenzame seconden nog die ik heel eenzaam moest doorbrengen met een nog eenzamer besef. Een rode jas met witte stippen sleurde een jengelend jongetje de winkel uit, droevig dreigementen uitend. ‘Geen koekje’, ‘naar bed’ en ‘papa’ ving ik op. Ik bedacht: het valt niet mee om een rode jas met witte stippen te hebben, en dan ook nog een kind en thuis vast een golden retriever. Ach, zo hebben we allemaal wat. Ik keek weer op mijn telefoon. Dezelfde foto, twee minuten dichter bij half zes.

Na een wandeling door een nabijgelegen parkje, nam ik weer plaats op het bankje tegenover de winkel. Nog tachtig minuten. Ik nam mijn opschrijfboekje uit mijn rugzak en schreef het begin van een verhaal waarvan ik zeker wist dat ik er op een dag mee zou doorbreken bij het grote publiek. Kern van het stuk: een meermaals door jan en allemaal in de steek gelaten jongeman met schrikaanjagend veel acne op zijn gezicht besluit dartsdoelman te worden, een door hemzelf in het leven geroepen topsport die een alternatieve verklaring voor het berglandschap op zijn gelaat moest gaan leveren. Nog drie kwartier.

Ik twijfelde. Wilde ik wel – durfde ik wel? Het was, om het eens even stoïcijns cliché uit te drukken, niet niks allemaal. Tjongejongejonge. Achttien jaar en dan al … Ik verdreef de eeuwige existentiële twijfel door van het bankje op te staan en weer de winkel in te sloffen. Lisa nam juist met een vochtig doekje de servicebalie af. ‘Verkoopt u ook batterijen?’ vroeg ik haar terwijl ik met mijn handen achter mijn eigen hoofd konijnenoortjes maakte. Zelf vond ik dat onmetelijk grappig en was vastberaden mezelf stante pede de Nobelprijs voor de Humor toe te kennen, maar Lisa kon er minder mee lachen. ‘Ja,’ antwoordde ze, ‘die verkopen we. Maar ik ben nu aan het werk. Een half uur nog.’

Het bankje buiten bleek het best te zitten. Na een half uur zinloos en hopeloos gestaar naar het leven en de mensen daarin, kwam ze eindelijk naar buiten. Half zes. Ik sprong op van het bankje dat, zo stelde ik me voor, na mijn landelijke doorbraak een toeristische trekpleister zou gaan worden, en viel mijn vriendin om de hals. ‘Het gaat gebeuren,’ fluisterde ik daarbij in haar oor, ‘het gaat gebeuren, we hebben het huis!’
Lisa keek me aan. ‘Echt waar?’ vroeg ze twee keer en ik zag haar ogen waterig worden.
‘Ja,’ zei ik, ‘echt waar.’ Een vreugdevulkaan kwam tot een langverwachte eruptie.
‘O wat fijn!’ riep Lisa eindelijk, haalde iets uit haar jaszak en duwde het in mijn handen.
‘Hier zijn dan vast de batterijen voor in onze nieuwe klok,’ zei ze grinnikend en zoende me op mijn wang.



Terug