Terug

Vuil

Mijn opa, ooit de meest wijze man uit mijn universum maar nu wegkwijnend in een allesverslindend niets-weten, staat naast een onbezette stoel aan een tafel waaraan reeds vier oudjes zitten. Een van hen zit met zijn ogen dicht te knikkebollen, een andere man met opvallend veel korsten op zijn kale kop leest een krant.
‘Hier komt helemaal niemand meer zitten,’ zegt die tweede wanneer de verpleegkundige zegt dat mijn opa aan deze tafel komt zitten voor het avondeten.
‘Iedereen mag hier zitten, meneer,’ zegt de verpleegkundige. ‘Het is de eerste dag van meneer en hij wil graag met u kennismaken.’ Mijn opa staart door de glazen deur links van ons het tuintje in, maar lijkt niets anders waar te nemen dan een eindeloze leegheid. Mijn oma, die achter hem staat, mompelt iets en aait mijn opa over zijn schouder. ‘Schat toch,’ hoor ik haar zeggen en ik zie haar hand naar de zakdoek in haar jaszak gaan.
‘Heb ik helemaal niks mee te maken!’ schreeuwt de korstenmeneer. ‘Kan me niets schelen of die meneer hier nieuw is. Deze tafel is bezet, en daarmee basta.’ Slechtheid is iets van alle leeftijden, denk ik en ik beeld me in dat de korsten op zijn hoofd allemaal te danken zijn aan minder coulante medebewoners van het verzorgingstehuis die deze ultieme botheid niet hebben kunnen relativeren. Terwijl mijn opa rustig wordt weggeleid van de mannentafel, neem ik mijn oma bij de hand. ‘Wat erg,’ zegt ze, ‘dat mensen zo naar kunnen zijn. Zo vuil.’ Ik knik, beaam, neem haar hand vast.

‘Hallo,’ zegt de verpleegkundige tegen een echtpaar dat aan een andere tafel zit te smakken. ‘Deze meneer is nieuw en wil graag met u kennismaken. Vindt u het goed als hij even bij u komt zitten?’
‘Natuurlijk!’ antwoordt de vrouw, die zich tegelijkertijd van enthousiasme haast verslikt in een lepel soep. ‘Kom erbij, kom erbij en zet je zorgen maar opzij!’ zegt ze en geeft mijn opa een knipoog. Waar er dat vroeger voor gezorgd had dat er kleine blosjes als aardbeiengebakjes op zijn wangen zouden verschijnen, kijkt hij nu apathisch voor zich uit en houdt de hand van mijn oma vast.
‘Hoort u dat?’ vraagt de verpleegkundige. ‘Mevrouw vindt het heel erg fijn als u hier gaat zitten.’
‘Jaja,’ zegt mijn opa mompelend – sinds ongeveer een jaar zijn standaardreactie op welke vraag of opmerking dan ook. Ik schuif zijn stoel naar achter en mijn oma zorgt dat hij gaat zitten. ‘Je gaat zo lekker eten,’ fluistert ze. ‘Wij gaan weg en komen morgen weer terug.’ Ik voel de pijn door de geluidsgolven heen en loop de eetzaal uit.

Een paar minuten later komt ook mijn oma naar buiten. ‘We gaan naar huis,’ zeg ik. ‘Opa zit nu goed, bij een lieve mevrouw. Ik zou maar een beetje uitkijken dat hij niet overloopt,’ zeg ik tegen mijn oma, maar de boodschap komt niet over. ‘Zo vuil,’ zegt ze, ‘daar snap ik nu niets van. Zo verschrikkelijk vuil.’ Weer gaat een hand naar haar jaszak. Ik leg een schouder om mijn oma heen. ‘Zo vuil,’ herhaal ik omdat ik anders ook niet weet wat ik moet zeggen, ‘zo vuil.’ In stilte lopen we naar buiten, de vrijheid tegemoet.



Terug