Terug

Voorspelbaar

Een tijdje terug werd ik door een studiegenoot aangesproken op de gestaag groeiende verzameling columns op deze pagina. Hij merkte op dat hij het leuke stukjes vond, heus, maar dat ze, en het speet hem werkelijk dat hij altijd zo kritisch was, maar het zat nu eenmaal in zijn aard, zijn moeder had het ook en daarom was zijn vader waarschijnlijk op een dag met de noorderzon vertrokken, maar daar draaide het niet om, nee, wat hij eigenlijk wilde zeggen is dat de columns die hij tot nu toe gelezen had, en dat waren ze echt niet allemaal hoor, dus misschien zat hij er helemaal naast, kon goed zo zijn hoor, in dat geval moest ik me maar niets aantrekken van de volgende opmerking, want de kern van zijn opmerking, waar hij écht naartoe wilde, was dat hij de columns eigenlijk, als ik hem dan echt dwong om echt héél eerlijk te zijn, een heel klein beetje voorspelbaar vond – uiteraard met inachtneming van alle bovenstaande uitvluchten en excuses. Toen ik een specificering vroeg, kreeg ik wederom een zeer uitbundig antwoord. Het kwam erop neer dat ik mezelf volgens hem voortdurend neerzette als een onhandige slungel die op de een of andere manier in de problemen verzeilde.
‘En dat Lisa je dan steeds uit de brand moet helpen,’ beëindigde hij zijn betoog, haast met tranen van spijt in zijn ogen. Ik dankte hem voor zijn opbouwende feedback en liep weg.

Toen ik die nacht wegens onverdraaglijke hitte onrustig in mijn bedje lag te woelen en van ellendige slapeloosheid de voorbije dag in hapklare brokjes recapituleerde, overdacht ik de opmerking van de studiegenoot. Ik vroeg me voor het eerst af of er een kern van waarheid in die woorden school. Aarzelend kwam ik tot de conclusie dat dat allicht zo was en ik besloot het schrijven de volgende dag eens radicaal anders aan te gaan pakken. Voorspelbaarheid hangt namelijk als een zwaard van Damocles boven het hoofd van iedere schrijver – in ieder geval boven dat van mij.

De volgende ochtend, de uren slaap die ik had gehad waren op één door te vroeg uit elkaar gespat vuurwerk verminkte hand te tellen, klapte ik mijn laptop open. De grote witte leegte van een onbeschreven digitaal vel staarde me zoals zo vaak dreigend aan, maar ik liet me niet van de wijs brengen. Ik schreef iets over een studiegenoot die me omslachtig aansprak en grinnikte zelf zachtjes om de woorden die verschenen. Toen het tijd werd om het stukje af te ronden, werd ik extra alert. Niet in de voorspelbaarheidsval trappen, niet in de voorspelbaarheidsval trappen, niet in de voorspelbaarheidsval trappen. Als een mantra herhaalde ik die woorden in mijn hoofd. Plots zwaaide de deur van de woonkamer waar ik geconcentreerd tikkend achter de laptop zat, open. Een dikke man stapte binnen. Hij had een blonde pruik achterstevoren op zijn hoofd gezet. Met donkerrode lippenstift had ‘ie enkele geometrische figuren, die ik zeker niet bij naam kan noemen, op zijn ontblote bovenlijf getekend en terwijl hij enkele kreten uitslaakte – het leek op Arabisch, maar ook daar heb ik te weinig verstand van om er iets met zekerheid over te kunnen beweren – ontkleedde hij zich nog verder. Nog geen minuut later stond hij geheel naakt een experimentele dans in mijn woonkamer uit te voeren terwijl hij verschillende merknamen van Franse stinkkazen opsomde (dat kon ik dan weer wel volgen). Met stomheid geslagen keek ik naar de vette man, die tot overmaat van fictie langzaam in een prachtige vrouw veranderde. Dit wordt te veel, dacht ik. Dit moet gestopt worden. Ik pakte mijn telefoon en belde Lisa. ‘Je moet me helpen,’ waren de eerste woorden waarmee ik haar voicemail insprak.



Terug