Terug

Voetbal

Als zovelen droomde ik vroeger van een uit zijn voegen barstend, wild juichend stadion, van shirtje wisselen met de tegenstander en van onderbroekenlol in de kleedkamer. Desalniettemin stond ik niet iedere zaterdag aangemoedigd door mijn ouders op het veld: het écht contact maken met sportieve leeftijdsgenootjes was aan mij niet bepaald besteed. Daarom oefende ik zelfstandig, urenlang, totdat de zolen onder mijn gymschoentjes smeekten om een genadeslag. Het weinige gras in de buurt van mijn ouderlijk huis heb ik meer benut dan wat dan ook in mijn leven.

Toen ik twaalf kaarsen uit mocht toeteren, kreeg ik als cadeau een heuse rondleiding in de Amsterdam Arena. Samen met nog een tiental kinderen die van heinde en verre waren gekomen om dat stadion nu eens echt te bekoekeloeren, zag ik aan de hand van mijn vader mijn droomtoekomst een stukje meer werkelijkheid worden. Ik nam plaats op de stoel in de persruimte, betrad stiekem met één voet het heilige gras van de voetbaltempel en nam een kijkje in het aangrenzende museum, waar alle bekers en schalen oogverblindend cameraflitsen reflecteerden.

Het toppunt van de rondleiding was een oefenpotje dat we zelf mochten spelen op één helft van het trainingsveldje van Ajax. De jongetjes en ik werden willekeurig in twee teams verdeeld: ter herkenning van de eigen teamgenoten kregen we linten in verschillende kleuren omgehangen. Twintig minuten lang wisselde de tussenstand continu. Het was, al zeg ik het zelf, een van de spannendste potten waaraan ik ooit had deelgenomen. Toen de jonge man die ons rondleidde, besloot dat het genoeg was geweest, stond het 4-4. Maar wij, competitief als we waren, namen daar geen genoegen mee: er móést en zou een winnaar komen. Langs mij heen werd besloten er dan nog maar gauw een penaltyserie achteraan te stukadoren. Nu was dat niet bepaald mijn specialiteit, maar ik had voldoende vertrouwen om het op te nemen tegen de jongetjes die al jaren elke week door een coach werden gedrild. Kom maar op.

Geloof het of niet (serieus, kies maar), maar het lot bleek besloten te hebben dat mijn penalty de beslissende zou gaan worden. Ik nam die verantwoordelijkheid, zei ik tegen mijn teamgenoten die berustend knikten. Ik deed wat vreemde sprongetjes, omdat ik dat professionals ook altijd zag doen als ze zich opwarmden. Of om de tegenstander te imponeren, wist ik veel. Ik sprong dus wat en spuugde zelfs even op het veld. Onze gids kuchte hierna even hoorbaar, maar ik liet me niet afleiden. Ik legde de bal op de stip en keek er even indringend naar. Ik nam wat stappen naar achter terwijl ik van de bal recht in de ogen van de keeper keek. Ik bleef hem aankijken, ook toen ik langzaam naar voren liep en begon te rennen. Ik weet niet waarom ik niet naar de bal, maar alleen maar naar hem keek. Staarde. Het resulteerde in ieder geval in een van de grootste mislukkingen uit mijn jeugd: ik struikelde over de bal en knalde met mijn hoofd op de grasmat. De bal rolde vrolijk de verkeerde kant op. Toen ik me oprichtte, moest ik wat bloed van mijn voorhoofd wissen.

Sinds die tijd is mijn interesse in voetbal drastisch afgenomen. In de loop van de jaren ben ik steeds minder voetbalwedstrijden gaan bekijken. Studio Sport werd een met een gegronde redenen in de steek gelaten vriend. Tegenwoordig krijg ik helemaal niets meer mee – afgezien een in elkaar gestort kereltje of lol trappende meisjes, zonder dat ik het gevoel heb iets essentieels te missen. En bevalt prima.



Terug