Terug

Vissen

Omdat in de Donald Duck de bezigheid ‘vissen’ vaak aangehaald wordt om een bepaalde ultieme vorm van luiheid te illustreren, vond ook ik het deze vakantie een goed plan om met een bamboehengeltje aan de kant van een rivier te gaan zitten. En terwijl ik dacht aan de door mij erg bewonderde bebaarde beren die op kleine scheepjes door weer en wind de meest exotische vissen binnenhalen, punnikte ik de hengel in elkaar, wierp hem met een boogje het water in en nam plaats op mijn klapstoeltje. In de wijde omtrek geen mens te bekennen. Heerlijk, dacht ik. Gewoon even de boel de boel, quality-time voor mezelf, mentale time-out: clichés in overvloed present.

Het eerste uur ving ik niets. Zelfs geen oude schoen nam de moeite zich in mijn haakje met aas te verstrikken. Ik zag dat echter niet als iets vervelends: wanneer ik nadacht over hoe ik zo’n visje binnen zou moeten halen en over hoe ik dat haakje uit zijn of haar bekje zou moeten trekken, liepen de rillingen over mijn rug. Zo slim om van tevoren even op te zoeken hoe zoiets in zijn werk ging, was ik niet geweest. Dat waren praktijken die ik namelijk nooit in de Donald Duck was tegengekomen. En wat niet in de Donald Duck staat … enfin. Ik genoot van de oorverdovende stilte van de natuur om me heen, daar komt het op neer.

Na een tijdje, het indommelen was in een vergevorderd stadium, voelde ik echter wat minieme rukjes aan de draad van de hengel. ‘Nu komt het erop aan,’ zei ik, eigenlijk tegen niemand dan mezelf. Ik klooide wat aan en wonder boven wonder haalde ik korte tijd later een nauwelijks met het blote oog waarneembaar visje binnen. ‘Hoera, ik ben een man!’ riep ik, legendarische woorden die ik voor het laatst had geroepen bij de aanblik van mijn eerste schaamhaar. Ik verpersoonlijkte me kort maar hevig met die stoere kerels op die scheepjes op de woeste zee. Ik was, zo zou je kunnen stellen, erg tevreden met mezelf.

Toen kwam echter onvermijdelijk het moment waar ik al voor gevreesd had. Het wild spartelende visje diende losgemaakt te worden. Ik had de hengel op de grond gelegd en keek van bovenaf naar het tafereel. Ik vloekte van gestaag toenemende radeloosheid. Het had weinig zin er nog langer omheen te draaien: ik durfde dat beestje niet aan te raken, laat staan het los te wrikken en terug te werpen. Kort overwoog ik een hulplijn in te schakelen, maar in het kader van ‘even helemaal niets, nada ende noppes op de koop toe’ had ik mijn telefoon thuisgelaten. Het kwam in me op dat er eigenlijk nog maar één mogelijkheid restte. Ik pakte de hengel voorzichtig op en keek van een afstandje nog eens goed naar het kleine visje, dat al stukken minder spartelde dan voorheen. ‘Het spijt me echt,’ zei ik, ‘maar dit is het beste dat ik er van kan maken.’ Ik boog kort voorover en wierp de gehele hengel, inclusief vis, de rivier in. Goed, dacht ik. Zou Donald Duck ook gedaan hebben.



Terug