Terug

Verstand

Ik had eens dusdanig veel kiespijn dat mijn hele oudjaarsnacht grondig werd verknald. Zelfs aan een oliebol knabbelen leverde zulke helse pijnen op dat ik het maar hield bij zo nu en dan een slokje water en wat theelepeltjes wafelbeslag. Toen iedereen om twaalf uur vrolijk de glazen champagne tegen elkaar tikte en men elkaar enthousiast op de wangen kuste, liet ik met enkele zeer expliciete gebaren merken dat dat laatste niet aan mij was besteed: ik duldde niemand in een straal van dertig centimeter van mijn verstandskies.

Omdat ik vanwege extreme koppigheid niet eerder een tandarts had bezocht, duwde Lisa me op nieuwjaarsdag in de auto, op weg naar de enige tandarts in de provincie die op die dag beschikbaar was. Vlak voordat ik in zijn stoel zakte, schudde ik hem de hand en mompelde iets wat op ‘goedemorgen’ moest lijken. Hij prevelde iets soortgelijks terug, liet de stoel zakken en sprak de legendarische woorden: ‘Oeioei, neenee, tsja, nou ja, dat gaat het voor mij niet worden.’ Ik zag dat hij met grote ogen naar de tandartsassistente keek, die overigens alles behalve voorjaarlijk uit haar ogen keek. ‘Jij moet naar de kaakchirurg,’ vervolgde hij. ‘Die dingen moeten er echt uit. En als ik dat doe, trek ik je kaakholte open.’ Terwijl ik voor mezelf opsomde aan welke elementaire sociale vaardigheden het deze pummel allemaal ontbrak, werd de stoel alweer omhoog gezwiept en werden we, met een stevige rekening als souvenir, nors uitgezwaaid.

Twee helse dagen later kon ik gelukkig reeds terecht bij de kaakchirurg in het ziekenhuis, die al niet veel begaafder bleek op geruststellend gebied. Hij sprak over een ‘gedraaide kies’ en een ‘waarschijnlijk pijnlijke ingreep’, waarna ik trillend als een rietje een verdovingsspuit in mijn mond liet zetten. Ik zal maar zeggen dat ik momenten in mijn leven heb gekend die ik alleszins als prettiger heb ervaren. Daarna volgde nog een prik, en nog een en nog een. En vervolgens nog twee laatste. En nog eentje om het af te leren. Nou goed, mijn mond was inmiddels zo gevoelloos als menig politicus toen de assistente van de kaakchirurg, die overigens een heel stuk frisser oogde dan haar tandartscollega, een heel erg groot stuk frisser eigenlijk, dat dan weer wel, een doek over mijn gezicht legde, een gat op de plaats van mijn mond. Met wat moeite klepperde ik mijn mond open, voelde een klein tikje in mijn mond en toen de arts even zijn instrumentarium tussen mijn tanden vandaan haalde en ik wilde vragen of hij dacht dat er nog iets van te maken viel, werd het doek alweer van mijn gezicht gehaald. ‘Wil je hem meenemen?’ vroeg de ronduit mooie assistente, wijzend op een roodbedrenkt stukje gebit. Ik merkte dat hoewel ik graag wilde, niet in staat was om verbaal te antwoorden, want er sijpelde tijdens mijn poging een hoop met bloed vermengd kwijl langs mijn kin omlaag. Ik veegde het beschaamd weg en knikte maar. ‘Vooruit dan maar,’ glimlachte de assistente en ze deed het ding in een plastic bakje.

Op de terugweg naar huis vroeg mijn chauffeuse Lisa waarom ik in godsnaam dat ding graag mee naar huis wilde hebben. Ik gaf te kennen dat spreken vanwege de nog niet uitgewerkte verdoving op dit moment nog niet bepaald een pretje was, en moest daarbij weer met enkele tissues aan de slag. Met enkele handgebaren maakte ik duidelijk dat ik het liefst even niet wenste te communiceren. ‘Nounou, okee dan,’ zei Lisa, en ze concentreerde zich weer op de weg. In de minuten daarna probeerde ik voor mezelf helder te krijgen waarom ik eigenlijk ja had gezegd. Ik hield het er maar op dat dat iets te maken moest hebben met de assistente, die ik toch niet vaak in nachtmerries zou tegenkomen. Omdat ik merkte dat de verdoving langzamerhand aan het uitwerken was, de pijn drukte zich met venijnige steekjes door de gevoelloosheid heen, sloot ik even mijn ogen. Ik dacht en ik dacht. ‘Gadverdamme, je kwijlt weer,’ zei Lisa, toen ze me een paar minuten later uit een middagdroompje ontwaakte.*



Terug