Terug

Verhaal

MORGEN GA JE WEER NAAR MAMA

De dieprode morgenzon glom aarzelend in het oosten en een zeemeeuw leegde zijn darmen krijsend op onze tent. Ook vanuit de binnenkant was te zien dat de slijmerige substantie langzaam van het tentdoek gleed.
‘Godverdomme,’ zei mijn vader, meer als een droge constatering dan als een vloek. Hij wreef de slaap uit zijn ogen en wurmde zich uit zijn slaapzak. Bij het driftig openritsen van de tent schoot zijn elleboog tegen mijn knie, waardoor ik uit mijn halfslaap ontwaakte. Toen hij zijn weg naar buiten had gevonden, hoorde ik hem eerst flink op de strontmeeuwen in de lucht, het wespennest in de boom boven onze tent en de ronkende bejaarden in de stacaravan naast ons schelden, alvorens hij zich uitrekte. Zijn gewrichten knakten overdadig, en ook daarbij stroomden godslasterlijkheden rijkelijk uit zijn mond. ‘Goedemorgen zonder zorgen,’ mompelde hij wat later met een gezicht waarop ik weinig vrolijkheid bespeurde terwijl hij het tentdoek opzij sloeg. ‘Kom je zo je boterham eten?’

Hij beloofde dat het leuk zou worden, zijn door zijn eigen schuldgevoel in het leven geroepen mannenweek. Mijn moeder had mij in de zomervakantie een week lang aan mijn vader toevertrouwd. Om te vieren dat hij ‘de fles’, zoals mijn moeder dat consequent bleef noemen, een half jaar niet meer had aangeraakt, had hij het plan opgevat om een week met mij naar een camping te gaan. Net over de grens in België lag kampeerveld De Schatkist, al met al niet meer dan een grote open weide in een bos waar zo nu en dan een grote wandelende papegaai met een ooglapje de kinderen kwam vermaken met infantiele dansjes en achterlijke muziek. Op de eerste dag al merkte ik dat mijn vader me bij dat parkentertainment wilde stallen om de vrije uren die dat opleverde tot aan de nok toe te vullen met louter gelanterfant. Ik vergalde die poging echter door het al tijdens het eerste dansje op een onmenselijk geschrei te zetten. De papegaai meende dat mijn tranen voortkwamen uit angst voor zijn voorkomen – wat overigens in het geheel niet zo was – en nam daarom zijn bovenstuk af om me te troosten. Er kwam een onuitstaanbaar lelijke man van middelbare leeftijd tevoorschijn die met uitgestoken hand op me af liep, alsof ik een straatkat was waarvan in het asiel bepaald moet worden of hij wel of juist niet in een huis met kleine kinderen geplaatst mag worden. Goddank kwam het niet tot enige aanraking, want voordat hij goed en wel naar me op weg was, steeg uit de groep medekleuters een hoop ‘ge-ooh’ en ‘ge-aah’ op. Sommigen lieten hun tranen ongegeneerd de vrije loop, twee meisjes met vlechten in hun haar renden weg.
‘Waarom moest je dan zo huilen?’ had mijn vader twintig minuten later gevraagd toen hij me had opgehaald. We zaten inmiddels aan de plastic tuintafel die die ochtend met moeite in de auto was gepropt. Donkere wolken pakten zich samen boven ons hoofd en kippenvel stond op mijn armen, maar koud was het niet. ‘Weet ik niet,’ zei ik. ‘Zomaar.’

‘Wat wil je doen vandaag?’ vroeg mijn vader. Ik besmeerde een boterham met te zachte margarine en mijn vader depte met een prop wc-papier de meeuwenschijt van onze tent. Van keuzestress was bij mij geen sprake: het was ófwel naar het zwembad (een poel bruinig water met een strandje ervoor), ófwel naar de papegaai ófwel aan de plastic tafel de enige Donald Duck die in het supermarktwinkeltje te krijgen was nog eens van voor naar achteren en van achteren naar voren uitspellen. Die keuze was snel gemaakt.
‘Zwembad,’ zei ik. Mijn vader knikte en gooide een doorweekte prop toiletpapier in onze geïmproviseerde prullenbak: een kuiltje in de grond dat werd afgedekt door het afdruiprek.
‘Pak dan je zwemspullen maar,’ zei hij, terwijl hij geïrriteerd twee wespen wegwuifde die hem met hun gezoem tot het uiterste begonnen te drijven.

‘Ik wil het godverdomme gewoon gezellig maken met dat joch,’ hoorde ik mijn vader tegen mijn moeder zeggen. Mijn moeder reageerde kribbig en vroeg of hij dat wel aankon, die verantwoordelijkheid. Ze benadrukte dat het niet makkelijk was, een week met een kind. Mijn vader keek bedenkelijk en wendde zijn gezicht richting de wenteltrap, waar hij mij zag staan. Met een bonkend hart liep ik naar beneden – mijn ogen probeerden krampachtig een kinderlijke onschuldigheid uit te stralen. Ik had niets gehoord ik had niets gehoord ik had niets gehoord. ‘Ik kan niet slapen,’ zei ik zacht, en toen, zogenaamd verbaasd om mijn vader te zien: ‘O. Dag papa.’ Mijn vader knikte me toe, pakte zijn jas van zijn stoel en sloeg de voordeur wat later in het slot. ´Je gaat volgende week op vakantie met papa,’ zei mijn moeder.

Aan de zijkant van de poel zat een man met een zonnebril op een barkruk. In zijn linker mondhoek bungelde een feloranje fluitje, waar hij op zowel gepaste als ongepaste tijden hard op blies. Zijn armen zwaaiden dan onwillekeurig van boven naar beneden en van links naar rechts terwijl iedereen naar hem opkeek. De bezoekers van het zwembad waren welwillend, absoluut bereid zijn aanwijzingen op te volgen, maar ze hadden telkens geen idee waarom hij floot, laat staan dat ze wisten wat hij daarmee wilde bereiken. Daarom draaiden zij zich na een tijdje van onwetendheid aan alle kanten weer van hem af en vervolgden hun bezigheden.
Volstrekt gesluierd in onduidelijk bleek de badmeester echter niet. ‘Dat mag hier niet,’ zei hij namelijk resoluut toen ik met mijn grote opblaaskrokodil in het water wilde plonzen. Ik klapte het ventieltje al open en wilde met duim en wijsvinger de lucht die mijn vader van zijn longen naar het plastic had verplaatst uit het waterreptiel persen, toen mij vader zijn grote behaarde hand op mijn kleine klauwtje legde.
‘En waarom dan wel niet?’ vroeg hij met een bepaalde assertiviteit, ‘laat dat joch in godsnaam met zijn krokodil spelen.’
‘Nee,’ antwoordde de man. ‘Dat mag hier niet. Een strandbal mag wel, mits anderen er niet door worden gehinderd.’
‘Papa,’ fluisterde ik. En nog een keer. ‘Papa.’ Mijn vader keek me aan, zuchtte hoorbaar en trok me met hem mee. We liepen naar een beschut plekje, waar ik de laatste lucht uit de krokodil liet en mijn vader een fles Fanta opentrok. Sinds hij zijn lichaam, en in het bijzonder zijn lever, de tijd had gegeven om te herstellen, sloeg hij per dag twee literflessen Fanta achterover. Soms mengde hij het met cola, en dat dronk hij dan in kleine hoeveelheden en met een bepaalde bedachtzaamheid, zoals ik hem jaren eerder een tijdje dagelijks had zien doen met een fles stankdrank die hij bij zijn ontslag had gekregen.
‘Ga maar zwemmen,’ zei hij, ‘je hebt toch je diploma. Ik blijf hier, een beetje kijken.’ Hij keek me niet aan: zijn blik leek gebrand op het jonge stel op de grote handdoek naast de onze. Ook mij was het al opgevallen dat de jongen en het meisje lijfelijkheid hoog in het vaandel droegen. De handen van de jongen, een blonde slungel van een jaar of twintig, gleden een paar minuten geleden gevuld met zonnebrand stuntelig over het ronde lichaam van zijn vriendin – en nu waren de rollen omgedraaid. Ik liep naar het zwembad, kneep mijn neus dicht en sprong in het water.

Een uur later zat ik alweer aan de plastic tuintafel. Solozwemmen bleek niet zo mijn ding, en ook zonder mijn krokodil was in het water spartelen niet zo leuk. Ik had een halfuur doelloos in het water gelegen. Ik was meermaals van de ene naar de andere kant gezwommen en ik had gewatertrappeld tot ik haast letterlijk een ons woog. Toen vond ik het mooi geweest.
Mijn vader zette een glas ranja voor me neer. ‘Drink,’ zei hij. Toen ik zijn instructie wilde opvolgen, merkte ik dat niet alleen ik in mijn glas was geïnteresseerd: een aantal wespen cirkelde nieuwsgierig en vol verlangen naar zoetigheid om mij en mijn glas heen.
‘Rotbeesten godverdomme!’ brieste mijn vader redelijk plotseling en greep naar de houten kist die naast onze tent stond. Ik bedacht dat ik eigenlijk niet wist wat er in die kist zat – een gedachte die me enigszins verlamde. Hij sloeg de kist open, graaide er wat in en haalde er een mintgroen tuinschepje uit vandaan. Terwijl hij murmelde dat hij er helemaal klaar mee was, smeet hij het schepje richting het wespennest. Het meest nog tot zijn eigen verbazing raakte hij het nest, dat desalniettemin niet gelijk uit de boom viel maar stoïcijns bleef hangen. ‘Godverdomme,’ zei mijn vader weer, en ‘godverdegodverdomme’ toen na een paar seconden een hevig gezoem uit het nest opsteeg, waarna binnen de kortste keren een bataljon agressieve angels onze kant op wees. Met alle macht en kracht die we in ons hadden probeerden we in de tent te duiken en onszelf veilig te stellen voor de tientallen wespen die alleen maar bloed leken te willen zien vloeien, maar dat bleek allemaal nogal tevergeefs. Voor ik het wist voelde ik hoe ik in mijn lies werd gestoken. ‘Auw,’ zei ik zacht en ik begon te huilen terwijl mijn vader hysterisch gillend op zijn eigen hoofd en armen sloeg om de beesten te verdrijven.

‘Dat moet schoon,’ zei mijn vader, wijzend op mijn lies. We zaten in de stacaravan van onze buren, die onze hopeloze strijd met afgrijzen hadden aangezien en ons te hulp waren geschoten.
‘Ik moet dat zuigen,’ vervolgde hij, ‘doe je broek uit.’
‘Ja,’ zei ik, ‘broek uit.’ Ik trok mijn broek uit, waarop mijn vader mijn benen uit elkaar duwde en wild begon te zuigen. Zijn eigen speeksel, vermoedelijk vermengd met het wespengif, spuugde hij uit in zijn rechterhand.
‘Tissue,’ zei hij toen hij na een paar minuten klaar was. ‘Geef me eens een tissue.’ De buurvrouw, een gezette vrouw met een enorme moedervlek op haar linkerwang, knikte en ging op zoek naar een doos tissues. Toen dat in haar goeiige paniek niet lukte, haalde ze een rol wc-papier van het toilet. Ze overhandigde wat velletjes aan mijn vader, die er zijn handen mee schoonveegde. Op mijn lies prijkte een rode plek ter grootte van een bierviltje. ‘Ach ach, jongen toch,’ fluisterde de vrouw, waarbij ze me over mijn rug wreef.

‘Welterusten,’ zei mijn vader die avond in onze tent. Onze campingbuurman was die namiddag met ons meegelopen en had met een speciale spray alle wespen uit onze tent verdreven. Het manusje-van-alles van de camping had in de boom boven onze tent wat later het nest met succes verwijderd.
‘Ga nu maar slapen, ik kom zo. Het was een bijzondere dag.’ Hij wreef over zijn eigen voorhoofd en kuchte.
‘Morgen ga je weer naar mama.’ Hij ritste de tent dicht. Ik hoorde hoe hij de fles Fanta opendraaide en inschonk.

Voor ik in slaap viel herhaalde ik in mijn hoofd zijn woorden.
Morgen, morgen.
Morgen ga ik weer naar mama.
Morgen.
Morgen ga ik weer.



Terug