Terug

Tongen

Het eerste meisje bij wie ik mijn tong naar binnen werkte, was mijn zusje. Aangezien ik mij er terdege van bewust ben dat zo’n openingszin – die er toch niet bepaald om liegt – behoorlijk wat stof kan doen opwaaien, zal ik zelf ook proberen dat stof weer te doen laten liggen.

Het zat zo. We hadden besloten met het gezin een middag naar het plaatselijke buitenzwembad te gaan en dat was, met het oog op de absolute broeierigheid buiten, allesbehalve een verderfelijk idee. We pakten wat grote shoppers met badlakens en een opblaasdierentuin in en tuften in de auto – want voor fietsen was het te heet, en bovendien was mijn fiets juist voor de eerste keer in mijn tienjarig bestaan gestolen – naar het zwembad. Alles wees er tot dan toe op dat het een doodnormale dag zou gaan worden waarop wij doodnormaal zouden gaan spetterspatteren, dan doodnormaal een ijsje zouden eten, daarna doodnormaal frieten met mayonaise naar binnen zouden schuiven en ten slotte weer doodnormaal terug naar huis zouden karren.

In het water gooide ik de strandbal met mijn zusje over. Om beurten smeten we de bal zo hard mogelijk ‘per ongeluk’ tegen iemand anders’ hoofd aan, waarna we ons excuseerden en onze bal terugnamen. Als dit lukte, kreeg je één punt. Raakte je een klein kind of een oudere dame, verdiende je twee punten. Na vijf minuten (ik stond al grandioos achter, nadat mijn zusje elk lid van wat op een bejaard christelijk vrouwenkoor leek te pakken had gekregen) werd ik op mijn schouders getikt. Ik draaide me om en een lelijk, vadsig maar vooral dik meisje stond me met haar kleine ogen aan te staren. Ze droeg geen bikinitopje, maar was daar naar mijn mening, gelet op haar postuur, wel zeker toe verplicht. Ik keek naar haar borsten en vroeg me af of het dikheid was of niet.
‘Zeg,’ knorde ze, ‘wil jij verkering met mij?’
Er schoten mij woorden te binnen die een gemiddeld kind van tien niet snel zou bedenken.
‘Nee, ik heb al een vriendinnetje’ zei ik, naar mijn zusje wijzend, die juist op dat moment van een afstand de bal recht in het vleesgezicht van mijn belaagster mikte. ‘O sorry,’ verontschuldigde zij zich, toen ze dichterbij gekomen was, en pakte de bal weer stevig vast.
‘Is dat je vriendin,’ vroeg het meisje, terwijl de afkering uit haar ogen af te lezen was.
‘Ja,’ mompelde ik. ‘Dat is mijn vriendinnetje. En nu willen we graag verder spelen.’ Ze zuchtte diep, maar blies daarna goddank de aftocht – ze waadde naar de andere kant van het zwembad. Ik vertelde mijn zusje wat er zich precies had afgespeeld.
‘We moeten dat kreng jaloers maken,’ zei ze, en het was me een raadsel waar ze op haar jonge leeftijd het woord ‘kreng’ vandaan haalde. Ik was het in ieder geval roerend met haar eens dat we die afstotelijke stinkbig het leven zo zuur mogelijk moesten maken. Daartoe verplaatsten we ons naar de andere hoek van het zwembad, waar het meisje inmiddels te dicht op een jongen van mijn leeftijd van een glijbaantje af rolde.
‘Hee!’ riep ik terwijl ik met mijn armpjes zwaaide om haar aandacht te trekken. Toen ze de glijbaanrit overleefd had, draaide ze haar kop naar ons toe. Ik keek mijn zusje aan en verontschuldigde me, waarna geschiedde wat geschiedde.

Als ik deze anekdote op familiefeesten en -partijen onder het genot van een bitterbal of honderdtwaalf te berde breng, word ik doorgaans zeer vreemd aangekeken. Nu is dat in zekere zin ook redelijk vanzelfsprekend, want het verhaal doet nogal ongeloofwaardig aan (zoals overigens vaak met replica’s van de werkelijkheid het geval is) en mijn familie is over het algemeen goed bekend met mijn uitstekend werkende fantasie. Wanneer ik op die momenten echter mijn zusje aankijk en zij een imaginaire bitterbal in het gezicht van een willekeurig familielid smijt, weet ik dat ik goed zit.



Terug