Terug

Tjebbo

De hond van onze buren heet Tjebbo. Tjebbo mag alleen naar binnen als hij netjes voor de deur gaat zitten. Een keer of vijf per dag hoor ik dan ook ‘Zit, Tjebbo. Zit. Tjebbo … TJEBBO ZIT! ZIT GODVERDOMME TJEBBO!’ en als ik zo onopvallend mogelijk door onze glazen voordeur spiek zie dat de buurman dan een klap op de kop van het arme onwetende beestje geeft. Wat het nut van dit ritueel is, zou ik niet kunnen zeggen. Onze buren zullen daar echter vast een goede reden voor hebben, zoals ze natuurlijk ook gegronde beweegredenen hebben voor de ruzies die ze zo niet nog vaker dan dat ze Tjebbo commanderen, uitvechten – op het letterlijke af. Vorige week stond onze buurman (eigenlijk het is geen man, een lang jongetje, dat is het) in de deuropening terwijl hij onze buurvrouw (meisje) uitschold in bewoordingen die, hoe zal ik het eens formuleren, niet bepaald als ‘fraai’ kunnen worden bestempeld. Aangezien het toch een taak van de schrijver is om te beschrijven, zal ik vermelden dat het er min of meer op neerkwam dat hij haar na een gruwelijk ziekbed een afgrijselijke dood toewenste en dat datzelfde eigenlijk gold voor haar hele familie en zeer vervelende en verwaande vriendinnetjes, waarna hij haar snoezige roze playboybunny-vespaatje met een rooddoorlopen kop vurig omver schopte. Al even vurig maakten de twee het een uur daarna weer goed, en ook dat bleef mij niet bespaard.

En Tjebbo zit erbij en kijkt ernaar. Tjebbo krijgt af en toe een klap op zijn kop als het - begrijpelijkerwijs - niet tot hem doordringt dat hij eerst moet zitten voordat de voordeur geopend wordt. Tjebbo volgt met zijn logge hondenogen zijn tierende baasjes wanneer ze elkaar haten, jankt hoorbaar mee wanneer die haat wat later omslaat in pure liefde (of lust, zo u wil). Tjebbo vraagt zich af waarom hij eigenlijk Tjebbo heet, want hij vindt dat eerlijk gezegd eerder een naam voor een dikke werkloze veertiger die al dertig jaar elke thuiswedstrijd van Heracles Almelo bijwoont – en ik geef hem daar meer dan gelijk in. Tjebbo voelt zichzelf vaak existentialistisch eenzaam.

Ondanks dat ik op geen enkel punt in mijn leven een bepaalde hondenliefde heb opgebouwd, voel ik soms medelijden voor de burenblaffer. Soms zou ik, wanneer de buren weer met een van hun absurde gebruiken bezig zijn, mijn voordeur open willen zwiepen, Tjebbo willen optillen en met de gekwelde hond in mijn armen de vrijheid tegemoet rennen. Er is echter iets in mij wat mij tegenhoudt en waar het de buren vaak aan ontbreekt: noem dat fatsoen.



Terug