Terug

Tent

Nu de vakantie redelijk aan het inburgeren is en verplichtingen als sneeuw voor de zon zijn verdwenen, heb ik tijd gevonden fotoboeken van eerdere zomertripjes op schoot te nemen en met de nodige ‘oehs’ en ‘aahs’ herinneringen aan vroeger op te halen.

Op een van de eerste pagina’s van een vaak doorgebladerd boek zie ik mezelf met twee levensgrote tentstokken staan. Om mijn puberachtige lijf een onhandige, klamme poncho. Mijn blik is naar boven gericht, alwaar een chagrijnige weergod besloot juist dát stukje authentieke Duitse camping waar ik mijn eerste vakantie met Lisa en haar ouders verbleef, onder een onmenselijk verschrikkelijke regenbui te verzuipen. Aan mijn zijde een nog piepjonge vriendin die me met van hemelwater doorlopen mascaraogen aankijkt. Bij gebrek aan een betere gesprekspartner zeg ik tegen een van mijn twee katten, die nu onhandig in mijn nek aan het kroelen is omdat het tegen etenstijd loopt, dat ik me herinner dat het opzetten van de tent in die regenbui twee uur duurde. Volgens de handleiding van datzelfde kampeeretablissement (die overigens na vijf minuten dusdanig van de regen doordrenkt was dat alle letters één lichtgrijze, onleesbare inktbrij vormden) zouden we in vijf minuten klaar moeten zijn met de ‘ultra-eenvoudige’ in-elkaar-zetterij. Mijn kat bromt ongeduldig wanneer ik glimlach bij de herinnering.

Op een andere foto, die een aantal jaar later genomen is, sta ik weer in de regen naar boven te koekeloeren. Een aantal subtiele verschillen en wel de volgende: ik bevond me niet in Duitsland maar aan de pittoreske Nederlandsche kust, Lisa staat niet naast maar voor me (want ze maakte de foto) en mijn twee handen heb ik geen twee levensgrote tentstokken. En dat laatste vormde die vakantie nu juist het probleem. Bij het uitpakken van alle kampeerbenodigdheden uit onze achtstehandse doch nog zeer goed functionerend wagentje, kwamen tot de afschuwelijke ontdekking dat de tentstokken nog steeds achter de barbecue in ons Limburgse tuinhuisje stof moesten staan vangen. Vergeten. Inmiddels haast uit gewoonte lul ik tegen de pluizige viervoeter die inmiddels naast me is komen liggen. Ik vertel hem dat terugrijden niet bepaald een optie was, nu we ruim tweehonderd kilometer en een onhandige omweg wegens absoluut overbodige wegwerkzaamheden van huis verwijderd waren. ‘We besloten op zoek te gaan naar alternatieve tentstokken, maar dat bleek op het toch al redelijke late uur van de dag een bij voorbaat verloren zaak’, zeg ik. ‘De wanhoop nabij probeerden Lisa en ik daarna nog wat takken aan elkaar te vlechten die dienst konden doen als rechtophouders, maar alles tevergeefs. Die eerste nacht sliepen we, nadat de wolken leeg waren, romantisch onder de sterrenhemel’, vertel ik. ‘Toen we de volgende ochtend ontwaakten, hebben we het tentdoek uit woede kapotgescheurd en weggepleurd, het boeide ons niet dat de stokken gewoon thuis lagen, en hebben een nieuwe tent gekocht van het geld dat we hadden gespaard om mee buiten de deur te eten.’ Ik glimlach weer. ‘Een week later keken we met een voldaan maar best lege maag terug op de al met al nog redelijk geslaagde vakantie.’ En het tweede deel van de opsomming lijkt de kat te triggeren: hij zet het op een onbedaarlijk miauwen zoals alleen de hongerigen op aarde dat kunnen.



Terug