Terug

Tanja

‘Hij is dood,’ zei ik enigszins verveeld om de stilte te doorbreken.
‘Ze,’ verbeterde Lisa. ‘Zé is dood,’ en de geluidloosheid trad weer in.

We hadden ongeveer een kwartier naar een opgezet nijlpaard gekeken, toen ik even op een bankje was gaan zitten. Dood was dood, vond ik. Mooi opgezet wel, maar dood, en dus minder interessant. Lisa daarentegen kreeg geen genoeg van het bewonderen en fotograferen van haar ouwe vriendin. ‘Voor mijn tijd’ was ze vaste klant geweest in Artis en talloze uren had ze als klein meisje aan het verblijf van dit nijlpaard doorgebracht. Op mijn vraag waarom ze in godsnaam zo geïntrigeerd werd door zo’n log beest, antwoordde ze dat ze het nijlpaard vroeger zo liefhad omdat niemand anders ‘nijlpaard’ als antwoord op een vraag naar zijn of haar lievelingsdier antwoordde. Of dat ook iets te maken had met de reden waarom wij een relatie hebben, wilde ik vragen, maar ik slikte het in. Ik nam genoegen met haar antwoord.

Met enige tegenzin had ik me naar de dierentuin in hartje Amsterdam laten meeslepen. Toen ons het nieuws bereikte dat het legendarische nijlpaard Tanja, twee jaar eerder overleden, opgezet in het dierenpark terug zou keren, had Lisa geen moment getwijfeld. We stapten in de trein en bezochten het nijlpaard. Onderweg luisterde ik geduldig naar Lisa’s verhalen: hoe ze soms een half uur wachtte tot Tanja onder het water vandaan kwam om wat eten naar binnen te schuiven of om een pot te schijten, hoe ze met het dikhuidige zoogdier sprak over koetjes en kalfjes, hoe ze zelfs van het nijlpaard droomde. Hoe ze het wel geweten had, als ze gedwongen werd een keuze te maken tussen haar beste vriendin en Tanja.

‘Toon!’ riep Lisa, net toen ik op het bankje tegenover het opgezette dier mezelf in gedachtes over de herkomst van de woorden ‘dierenrijk’ en ‘mensdom’ verloor. ‘Zeg het eens,’ zei ik, pretenderend volledig bij de les te zijn.
Lisa’s ogen waren groot. Haar rechterhand had ze voor haar mond en haar gezicht was opvallend goed doorbloed.
‘Toon!’ riep ze nog een keer. Ook ik herhaalde wat ik eerder zei.
‘Ze … ze knipoogde,’ stamelde Lisa. ‘Ze knipoogde, ik zag het ik zag het ik zag het!’Verbaasd stond ik op van het bankje en liep naar Tanja toe.
‘Ik zie niks,’ zei ik. Verbeelding is iets hoopgevends, bedacht ik. Het kan troost bieden wanneer dat het hardst nodig is. De eigen fantasie die soelaas biedt, een hoopvolle gedachte. Ik zakte terug op het bankje en Lisa knikte teleurgesteld.

‘Kom, we gaan,’ zei ik, toen ik het zitten na een half uur echt beu was. Lisa mokte wat, liever was ze nog even gebleven, maar stemde na wat gezeur mijnerzijds toch toe.
‘Nou, zeg maar dag tegen Tanja,’ zei ik tegen Lisa alsof ik tegen haar veel jongere versie sprak.
‘Dahààg, Tanja,’ zei Lisa en ze wierp het beest een handkusje toe.
En toen gebeurde het. Dit keer zagen we het allebei.



Terug