Terug

Tanden

De eerste herinnering die Lisa aan mij heeft, is de volgende. Tijdens een voorbespreking van de buitenlandse reis naar Wenen waar onze klas de volgende dag naar zou vertrekken, zit ik met een geschrokken gezicht aan de andere kant van het klaslokaal, vooraan in een hoekje. Naast mij een jongen die over het algemeen flink gepest wordt, maar bij mij enige bescherming geniet. Ik roep ‘kut!’ en steek mijn hand in de lucht. De docent zegt dat ik even moet wachten, dat hij zijn verhaal over gezamenlijke lunches bij aankomst in het hotel eerst af moet maken. Ik zeg dat ik echt even iets moet zeggen. De man zucht en negeert mij. Vijf, tien, vijftien minuten later, mijn hand nog steeds prangend in de lucht, mag ik mijn zegje doen.
‘Ja,’ begin ik. ‘Mijn tanden zijn uit mijn mond gevallen, geloof ik.’ Ik laat hem twee kleine ivoorachtige stukjes in mijn gekromde hand zien.
De klas lacht. Lisa ook, vertelt ze me later.
‘Maar dat is niet zo gek als het lijkt,’ probeer ik nog terwijl mijn ogen schichtig de klas heen en weer schieten, maar de man lacht onbedaarlijk. Volgens mij is daar weinig reden toe.
‘Als je morgen nog mee wil, moet je maar naar de tandarts gaan,’ zegt hij en zonder te weten of hij dat nu meende of niet sta ik op, om zo snel mogelijk naar de gebitsdokter te fietsen. De jongen naast me kijkt me bij mijn vertrek angstig na.

Met mijn gebit heb ik nooit veel geluk gehad. Op mijn tiende klapte ik rennend (op de vlucht voor een lelijk, hebberig meisje dat mijn naam steevast met ziekelijk veel consumptie uitsprak) met mijn tanden op de bovenkant van het hoofd van een kleiner leeftijdsgenootje. Hij moest huilen en had een zware hersenschudding, ik moest schreeuwen en schelden en verloor twee voortanden. Tijdens een daaropvolgende wortelkanaalbehandeling die om een voor mij bijzonder onverklaarbare reden zonder verdoving plaats moest vinden vervloekte ik de tandarts en zijn verschrikkelijke assistente. Het moet wel gezegd worden dat dat verschrikkelijke horrorduo uit je ergste nachtmerries allertijden des doods me twee weken daarna mooie surrogaattandjes bezorgde. Dat dan weer wel. In de jaren daarna vielen de stukken neptand wegens gebrekkig lijmwerk echter regelmatig m’n bek uit. Zo ook de dag voor de buitenlandse reis.

Het kwam goed. De tandarts en z’n heks vonden na een wanhopig telefoontje mijnerzijds een gaatje in hun agenda en hielpen me dezelfde middag nog aan een compleet gebit. Het vrouwtje zei dat ze het deze keer ‘extra goed’ zouden vastlijmen. Me dunkt, dacht ik. Me dunkt. Die nacht zat ik met een volledig gerestaureerd tandengestel in de bus naar Wenen. Naast me zat de jongen die dichterbij me kwam zitten dan sociaal wenselijk – maar ik liet hem begaan – en op de stoel voor mij Lisa. Toen ze zich semi-geïnteresseerd omdraaide om mijn tanden te bewonderen merkte ik voor het eerst haar schoonheid op, die in de dagen daarop veelvuldig voor inwendig vuurwerk zou gaan zorgen.



Terug