Terug

Tak

‘Als ik terugkom, drijft die tak nog altijd in de Maas,’ zei ik, wijzend naar een afgebroken stuk hout dat voorbij dreef. Terwijl de lichte motregen het zicht door mijn brilglazen haast onmogelijk had gemaakt en een voorzomers briesje kippenvel op mijn armen deed verschijnen, hield Lisa mijn hand vast. We zaten langs de loop van Maas. Aan de overkant zat een visser rustig te hengelen, in de verte hoorden we het gesuis van voorbijrazende auto’s en meer van dat soort sfeerbeschrijvingen.
‘Ik ga je zó missen,’ riep ze getergd. Ze smeet de achterkant van haar hand daarbij dramatisch op haar voorhoofd en deed of ze ging flauwvallen. Ik vroeg me af of ze dat deed om haar echte pijn te verhullen, het gemis dat haar stond op te wachten zoals ouders hun kinderen die terugkeren van een zomerkamp, of dat de pijn over mijn trip naar het buitenland helemaal niet gespeeld was.
‘Ik jou ook,’ prevelde ik. Voor mezelf was het glashelder: ik zou haar gaan missen zoals ik nog nooit iemand had gemist. Het vooruitzicht van acht dagen, bijna tweehonderd uur goddomme, door te moeten brengen zonder de aanwezigheid van mijn geliefde, de vrouw met wie ik later zekerzekerzeker zou trouwen en de vrouw die me de mooiste kinderen van de helehelehele wereld zou schenken. Het was overigens jeugdige verliefdheid die me zo deed voelen. Dat ik later zou gaan twijfelen over het praktisch nut van bruiloften en dat Lisa en ik onszelf te egoïstisch zouden bevinden om aan kinderen te beginnen, had ik toen nooit kunnen bevroeden.

Mijn opmerking over de drijvende tak, die inmiddels bijna aan het zicht was onttrokken, was dan ook eerder relativerend voor mezelf bedoeld dan als troost voor Lisa. Tijd is ook maar tijd, hield ik mezelf steeds semi-filosofisch voor, en daarmee is het, net als alles en iedereen, van voorbijgaande aard.

‘Ga je me echt missen?’ vroeg ik zacht, nadat het even stil was geweest.
‘Jazeker.’
‘O. Ik jou ook.’
De stilte trad weer in. De visser aan de overkant pakte zijn visgerei in; zo te zien had hij niets gevangen. De tak was inmiddels helemaal niet meer te zien – althans niet voor mij. De angstwekkende gedachte aan wat er zou gebeuren als de tak tijdens zijn tocht richting de grote zee klem zou komen te zitten achter een omgevallen boomstronk, of als hij door een hond uit het water gehaald zou worden. Een zeker verdriet overviel me, maar dat werd opgevangen door Lisa’s hand die weer zacht over de mijne streek.
‘Acht dagen zijn zo voorbij.’
‘Ja,’ zei ik. ‘Vast.’
‘Zeker,’ zei ze, draaide haar hoofd langzaam naar het mijne en gaf me kracht voor wel acht weken.



Terug