Terug

Strompelen

Na maanden wijngeslobber en hapjesvreterij op de markt is Sittard sinds een aantal weken weer aan het werk. Ook in de schoolbanken wordt weer kennis vergaard die een succesvol leven moet garanderen. Nadat ik vorig jaar mijn opleiding tot docent Nederlands met goed gevolg aflegde, mag ik me vanaf dit schooljaar rekenen tot de club mensen die eindeloos veel geeft en al even eindeloos weinig terugkrijgt. Het is waar: ik ben leraar Nederlands geworden. Op de eerste schooldag stelde ik mezelf aan de hand van enkele foto’s uit mijn privécollectie voor aan alle nieuwe weetgragen – dat laatste woord verzon ik niet zelf. Gezien de herinneringen aan mijn eigen eerste schooldag is dat met recht vreselijk opvallend te noemen.

Van mijn elfde tot mijn achttiende huppelde ik rond op het Trevianum in Sittard. Op de allereerste dag, toen mijn ogen uit hun kassen rolden van alle grootsheid die de school tentoonspreidde en ik me, hevig op mijn lip bijtend, afvroeg waar meester Ronald van groep 8 toch was gebleven, stelde het docententeam dat mij slimmer moest gaan maken zich aan mijn klas voor. Zo ook mijn mentor, een vrouw aan wie ik eigenlijk warme herinneringen heb – maar een van de doelen van literatuur is dat zij de verdorvenheid van de mens tentoon moet spreiden, dus daarom portretteer ik haar als een vreselijke feeks die vrijwel niets goed deed. Nou, die vrouw dus, die onuitstaanbare troela die het in haar kop haalde overgewicht bij jeugdigen tegen te gaan en zich daarom had laten scholen tot docente lo. Een afkorting overigens die voor de meesten lichamelijke oefening of ontwikkeling betekende, voor mij eerder lichamelijke ontbinding. Tijdens onze kennismaking strompelde ze ons klaslokaal binnen. ‘Geblesseerd,’ zei ze en ik dacht: daar begint de ellende al. Ze liet wat foto’s uit haar privécollectie zien en toen ze met een ouderwetse aanwijsstok op een foto op het bord aan wilde wijzen wie van de achtendertig haar twaalfde kind was, donderde ze van het podiumpje waarop docenten in klaslokalen sinds jaar en dag tentoon worden gesteld. ‘Alweer m’n knie!’ riep ze, tot mijn grote ergernis vijfmaal. Met haar beide handen om haar linkerknie lag ze te kronkelen op de grond en wij, wij vroegen ons allemaal in een stilzwijgende doodsangst af waar in godsnaam meester Ronald bleef.

En nu, dit schooljaar, ben ik zelf die strompelende docent die het in z’n domme kop heeft gehaald de jeugd op het rechte pad te krijgen. Nobel maar naïef zal ik dit jaar met mijn theorieboeken ten strijd trekken tegen de onwetendheid en stiekem, heel stiekem, hoop ik dat over een jaar of wat de schimmen in mijn klas ook mijn entree in smetteloze zinnen beschrijven. ‘Een stumperd,’ moeten ze dan schrijven, ‘met z’n foto’s uit zijn privécollectie. Maar: een goede stumperd.’



Terug