Terug

Stress

Terwijl ik gemoedelijk tikkend achter mijn docentenbureautje in de inmiddels goed vertrouwde lerarenwerkruimte een les over enkele voor dit stuk totaal niet relevante doch focking cool klinkende onderwerpen als aanwijzend voornaamwoordelijke bijwoorden in sollicitatiebrieven voorbereidde, werd ik op mijn schouders getikt.
‘Toon,’ vroeg een collega. ‘Heb jij eigenlijk ooit weleens stress?’ Nadat een kortsluiting die de hoogst opmerkelijke vraag in combinatie met de volle focus op de schone aspecten der Nederlandsche taal in mijn hersenen had veroorzaakt, weggetrokken was, antwoordde ik dat dat bij tijden heus eens voorkwam.
Dat leek mijn collega op haar beurt weer behoorlijk van slag te maken.
‘Maar je lijkt altijd zo kalm!’ riep ze uit in de ruimte waar het de bedoeling is dat vallende spelden haarscherp te horen zijn.
‘Tja,’ zei ik. ‘Dan weet ik mijn innerlijke ellende blijkbaar goed te verbergen.’
‘God ja,’ zei ze, legde een hand op mijn schouder en liep weg.

De vraag liet me daarna weinig los. Van de lesvoorbereiding kwam ik weinig meer terecht en tijdens een lesuur later op de dag aan een examenklas was ik niet mijn enthousiaste zelf. Enkele leerlingen informeerden zelfs voorzichtig of een van mijn katten een ernstige ziekte had opgelopen of dat ik in een relatiecrisis was beland. Ondanks dat mijn klaskinderen me soms verbazen met hun vaak haast helderziende blikken, hadden ze het nu bij het verkeerde eind.
‘Nee,’ zei ik, ‘dat is het niet.’ Ik liet het er verder maar bij en zat de les uit.

Die nacht werd ik overvallen door een gevoel van nachtverslindende paniek. Onrustiger dan ooit tevoren woelde ik mezelf en de lakens drijfnat. Mijn gedraai en gezucht zorgen ervoor dat het slapende schepsel naast me haar ogen opende.
‘Wat is er is godsnaam aan de hand,’ kreunde ze met een toon die ik niet in eerste instantie vriendelijk zou willen noemen.
‘Het komt eruit,’ piepte ik, ‘het hort en stoot mijn hersens uit.’
‘Ja,’ zei Lisa, en nog geen twee minuten later hoorde ik naast me een jaloersmakend zacht geronk. Ook ik moet er nu toch echt aan geloven, dacht ik, morgen is het weer veel te vroeg dag. Ik sloot mijn ogen en probeerde uit alle macht aan een zonovergoten junistrand te denken, wat niet bepaald lukte. Mijn strand werd overvallen door massa’s panikerende all-inclusivetoeristen, wanhopig op zoek naar een ontbijtbuffet dat in de verste verte niet te bekennen was. En nu is het klaar, dacht ik toen ik zag dat de uren voordat de wekker zou gaan rinkelen op één hand te tellen waren. Met een uiterste mentale inspanning verdreef ik het klootjesvolk van mijn strand en viel daarna onder de stralende zon in een diepe slaap waaruit ik uitgeruster dan ooit ontwaakte.



Terug