Terug

Sterre (verkering I)

Een bloedhete zomerdag in 2006. Met een goede vriend speelde ik in de grote speeltuin in onze wijk, waar je voor vijftig cent de hele dag van alle speeltoestellen gebruik mocht maken en voor nog eens vijftig cent een waterijsje kreeg. Het vele zweet dat uit onze lichamen gutste, vergemakkelijkte het glijden van de gloeiendhete glijbaan en in de felle zonneschijn maakten we een zandkasteel dat we omdoopten tot ijspaleis. Zo fantaseerden we onszelf de koelte in en dat werkte.

Terwijl we een gehele hofhouding voor het ijspaleis uit onze duim zogen, merkte ik op dat vanaf een afstandje twee meisjes naar ons staarden. ‘De koelknecht,’ zei ik, ‘dat is het hulpje van de ruige sneeuwridder, die ten strijde trekt tegen de zon. Hij rust niet voor hij op volle kracht een stekellans door het hart van de zon heeft geramd.’ Ik zei het niet te hard, want ik merkte dat de meisjes dichterbij kwamen.
‘Hoi,’ zei de kleinste van de twee plots toen ze voor ons stonden. Een kind van niet meer dan een meter vijftig, dat voor de helft uit mens en voor de helft uit sproeten leek te bestaan. Het andere meisje was slank en lang, leek iets ouder. In haar handen droeg ze desalniettemin een tasje met een print van twee roze eenhoorns.
‘Hoi,’ zeiden wij tegelijk. Acht ogen staarden elkaar aan. Ik veegde met mijn natte arm over mijn natte voorhoofd. Iets wat ik later meende te markeren als volstrekte jeugdige schaamteloosheid maakte dat het sproetenmeisje plots vroeg: ‘Jongetje,’ en ze wees naar mij, ‘als je met een van ons verkering moet nemen, wie neem je dan?’
Mijn lippen verwijderden zich van elkaar, steeds verder, maar ik hernam me en sloot mijn mond. ‘Dat moet ik overleggen,’ zei ik en trok mijn beste vriend mee, weg van de twee monsters in wording.

‘Neem geen van beide,’ was de wijze raad die ik achter het grote uit hout opgetrokken piratenschip kreeg, uit het zicht van de twee meisjes. ‘Mijn vader zegt altijd dat vrouwen ongeluk brengen. Ongeluk is niet goed, dus zeg dat je ze allebei niet wil.’ Dat vond ik plausibel klinken. ‘Oké,’ zei ik en ademde diep in.

‘Ik kies jou,’ zei ik, wijzend op het meisje met de sproetjes en naast me hoorde ik een zucht. Het uitverkoren meisje klapte enthousiast in haar handen, spreidde daarna haar armen en liep op me af. Ik murmelde wat willekeurige kreten, liet me omhelzen en dankte de ruige sneeuwridder op mijn blote knieën toen ze me losliet; allesbeklemmende armen maakten plaats voor een stroom verse lucht.
‘Mijn naam is Sterre,’ zei ze. ‘Kom je vanavond bij me eten?’



Terug