Terug

Springen

Het overgrote merendeel van het bloed dat ik in mijn leven heb aanschouwd, circuleerde kort daarvoor nog in mijn eigen lichaam. En dat heeft nu eens niets te maken met een of andere verschrikkelijke aandoening waardoor ik steevast midden in de nacht wakker word en enkele spetters, wat zeg ik, deciliters, liters bloed in de toiletpot uitkots en al evenmin heeft dat iets van doen met een nijpende zelfdestructieve fase vanwege gevoelens door God en iedereen verlaten te zijn. Nee zeg, doe eens even normaal. Het zit veel eenvoudiger in elkaar: in mijn leven is voor onhandigheid simpelweg een hoofdrol weggelegd. Bulten, blauwe plekken en schaafwonden zijn aan de orde van de dag en scheldkanonnades denderen regelmatig als woeste watervallen mijn bek uit.

Vandaar dat ik mij even letterlijk achter mijn oren krabde, toen mij een week of wat geleden gevraagd werd of het mij leuk leek eens mee te gaan naar een trampolinepark. Terwijl het groepje studiekameraden me enigszins verward aankeek omdat ik intussen echt een soort van pluisachtig iets achter mijn oorschelp vandaan toverde, zei ik schoorvoetend toe. ‘Volgende week?’ vroeg ik, me ondertussen afvragend of mijn huidige verzekering voldoende dekking bood.

Een aantal dagen later trad ik rillend en koud van angst het springgebouw binnen. Kort daarvoor had ik melodramatisch afscheid genomen van mijn vriendin. We hadden samen gelachen, maar de ongerustheid die haar ogen uitstraalden, kon ik moeilijk negeren. Ik beloofde te zullen bellen wanneer botten zich als gevolg van een maniakale gekkensprong door mijn vel een weg naar buiten hadden gebaand, maar ook als ik me op een andere manier al dan niet zeer ernstig zou bezeren. Toen ik met mijn zwarte sporttasje op mijn rug de deur uit liep, zwaaide ze me uit totdat ik volledig aan haar zicht onttrokken was.

‘Zin in?’ vroegen ze, nadat we ons in hokjes die verschrikkelijk afschrikwekkende aroma’s verspreiden allemaal omgekleed hadden. ‘Ja,’ antwoordde ik, redelijk naar eer en geweten. ‘Zeker zin in.’ Ik lachte licht zenuwachtig.

Ik verbaasde mezelf in het uur dat daarop volgde. Ondanks dat we werden omringd door allerhande jongens die stoere salto’s maakten om indruk te maken op hun vroegrijpe meisjes, kon ik mij inhouden en sprong keurig netjes, zoals het een toekomstig docent betaamt. Alsof ik een voorbeeldfunctie had, alsof ik moest uitdragen dat men ook aan matigheid plezier kon beleven. Gevaarlijk werd het toen we besloten mee te doen met trampolinetrefbal en ik op een haar na mijn enkel omzwikte, maar ik had net voldoende tijd me probleemloos te herpakken.

Toen de laatste vijf minuten van ons springuurtje in waren gegaan, luchtte ik mijn hart bij een van de leden van onze clan. Ik hoorde mezelf beweren een brekebeen te zijn. ‘Maar ik heb niks geen pijn,’ voegde ik eraan toe. ‘Helemaal niks! Niet gestoten, niet gevallen, geen mooievrouwenbeen in mijn gezicht of tussen mijn benen of wat dan ook. Ongeschonden uit de strijd!’ gilde ik, met een gepaste berg trots. Er werden enkele duimen in de lucht gestoken en knipogen uitgedeeld – complimenten die ik voldaan in mijn sportbroekzak stak.

Inmiddels tikte de laatste minuut van ons gezellig uitje af. Nog één keer, dacht ik. Nog een paar sprongetjes om mijn heldhaftigheid tentoon te spreiden. Ik zette me af, zakte door mijn knieën en sprong hoger in de lucht dan ik van tevoren überhaupt voor mogelijk had gehouden. In de lucht deed mijn lichaam echter iets vreemds: in een fractie van een seconde klapte het dubbel - alsof ik in een cocon kroop om er getransformeerd weer uit te komen – waarbij ik mijn eigen knie met een rotvaart tegen mijn neus klapte. Klodders dik, dieprood bloed trilden na op de trampolines.

Een half uur later belde ik Lisa, die razendsnel opnam. ‘Ik kom eraan,’ zei ze, nog voordat ik iets had kunnen uitkreunen.



Terug