Terug

Signeren

Zoals u allen natuurlijk weet, schreef Ronald Giphart het voorwoord voor deze website. Dat is iets waar ik trots op ben als was ik een pauw die zich helemaal de pokkepleuris uitslooft voor zijn wijfje: alle sierveren pront de lucht in en versieren maar. Nu heb ik Giphart, aan wiens hand ik de Nederlandsche literatureluur heb ontdekt, een aantal keer een handje gegeven.

Een van de laatste keren dat ik dat mocht doen was tijdens de Dag van de Literatuur, een tweejaarlijks feest waarop tientallen schrijvers bijeenkomen in een groot gebouw in Rotterdam om aan de hand van workshops/interviews/optredens scholieren (die daar allesbehalve vrijwillig met een stoffige leraar Nederlands rondslenteren) te enthousiasmeren voor boekjes en lettertjes. Omdat ik opgeleid word tot zo’n docent, was ook ik uitgenodigd. Dus ik ging, en was aanwezig bij een interview dat drie scholieren afnamen bij Giphart, Peter Buwalda en Bert Wagendorp. De vragen die op Giphart werden afgevuurd gingen achtereenvolgens over seks, seks, seks en seks. Desalniettemin redde hij zich zeer verdienstelijk vriendelijk uit de vervelende vragen van de overneukte pubers.

Na afloop was er kort mogelijkheid tot signeren. Of eigenlijk niet, maar ik maakte er eigenhandig een signeersessie van door op het moment dat Giphart het podium verliet, hoorbaar shakend het podium op te klimmen en op hem af te stappen. Ik vroeg hem of hij iets in zijn nieuwste boek voor me zou willen krabbelen. Achter me stonden wat studiegenoten de hele happening te filmen. Leuk voor het nageslacht, dacht ik.
‘Natuurlijk,’ zei hij, en nam nog even plaats op een van de stoelen op het podium waaruit hij zojuist was opgestaan. Ik reikte hem het boek aan.
‘Voor wie is het?’ vroeg hij. Ik gaf hem mijn naam.
Hij keek op van het boek dat hij al opengeklapt op zijn schoot had liggen.
‘Dé Toon?’ vroeg hij. Even dacht ik dat hij doelde op die andere Toon uit Sittard. Dus ik stamelde maar wat, dat ik niet precies wist waar hij op doelde, dat dé Toon toch maar net was hoe je het zou bekijken en nog wat van die aperte bullshit.
Hij lachte.
‘Hoe is het met schrijven?’ vroeg hij en ik wist niet wat me overkwam.
‘Ja goed,’ zei ik. Ik wist niet waarom ik dat uitbracht, want mijn schrijverij lag toen al erg lang doodstil. Op de achtergrond giechelden mijn studiegenoten steeds harder, maar wij lieten ons niet afleiden. Nee, Ronald en ik, wij spraken. Wij spraken over de belangrijke zaken des levens. Over de vluchtelingencrisis en over de abortuswet. Over wat nu écht telde in het leven. Kinderen vond hij, dat was het belangrijkste. Ik was het nog nooit méér met iemand eens geweest dan toen. En tegelijkertijd fantaseerde ik er lustig op los.

Toen Giphart een minuutje nadat hij was gaan zitten, weer opstond, van het podium liep en ik wederkeerde bij mijn nog altijd druk filmende en fotograferende studiegenootjes, werd ik met ingetogen gejuich ontvangen. Men bewonderde kort hetgeen hij in mijn boekje gepend had. We spraken wat na en er werden enkele grappen gemaakt. Bekroond als ‘Tonald Giphart’ verliet ik die namiddag het gebouw met een zeer voldaan gevoel.

Eén ding bleef in de dagen daarna echter knagen. Ik had tegen hem gelogen, gemurmeld dat het schrijven goed ging, terwijl ik in de twee jaar voorafgaand aan onze ontmoeting geen woord op papier had gezet. Om dat goed te maken, kroop ik, aanvankelijk wat ongemakkelijk, weer achter mijn laptop. En gelukkig, voordat ik het wist kronkelde de creativiteit weer volop over het scherm.



Terug