Terug

Rijden

‘Ik ben mij er inderdaad in zekere mate van bewust dat ik de wet overtreed,’ zei ik tegen de bebaarde man die me op een verlaten parkeerterrein achter het stuur vandaan probeerde te trekken, ‘maar zo erg is het nu ook weer niet, vriend.’ Ik maakte me los uit de stevige greep van de man, die zo te zien een dusdanig grote fascinatie voor beren had ontwikkeld dat hij minstens een fraaie bronzen en wie weet zelfs een zilveren medaille zou verdienen op een grizzlylook-a-likewedstrijd ergens in een afgelegen clubhuis op de Veluwe.
‘Kom maar gewoon,’ zei Lisa op de bijrijdersstoel. Ze deed haar deur open, liep uiterst kalm om de auto heen, deed mijn deur open, wachtte tot ik was uitgestapt, verbaasde zich over een lange opsomming, stapte zelf in, wachtte tot ik aan de andere kant was ingestapt, vond de enumeratie nu wel erg lang duren en reed daarom weg zodra ik mijn eigen veiligheid op de openbare weg verzekerde door mijn riem vast te klikken. Je weet immers maar nooit – er rijden volslagen incapabelen rond tegenwoordig. De man bleef in totale verbijstering en met woestheid voor drie achter tussen vier geparkeerde auto’s op troosteloos asfalt.

‘Je hebt inderdaad niet bijzonder veel talent,’ zei Lisa met alle voorzichtigheid die ze in zich had, nadat we veilig op weg naar huis toettoeterden. Iets anders dan beamen kon ik redelijkerwijs niet. Het was er blijkbaar nog niet voor niets van gekomen om rijles te nemen, en deze ervaring had mijn automobielangst niet bepaald weten te verminderen.
‘Ik wilde gewoon ook eens proberen,’ sprak ik. ‘En het ging toch ook best goed? Alleen dat schakelen en die koppeling, dat valt niet mee. Verder is het weinig anders dan in de botsautootjes.’
‘Ja,’ mompelde Lisa. De verdere rit kon je, als voor je gehoor het brommen van de bolide om ons heen geen belemmering vormde, een speld horen vallen.

‘Hij reageerde toch overdreven?’ vroeg ik vlak voor we die avond in slaap dommelden. Lisa bevestigde, maar meende het prille zelfvertrouwen dat ik had opgedaan na mijn eerste keer als bestuurder desalniettemin vakkundig en allesbehalve subtiel teniet te doen door aan haar opmerking toe te voegen: ‘Maar je reed wel heel erg slecht. Echt, slecht-slecht, zeg maar. Hou het maar gewoon bij schrijven en laat het rijden aan mij. In godsnaam. Alsjeblieft. Echt.’ Ik probeerde haar te onderbreken – haar boodschap was inmiddels overgekomen – maar het lukte me niet.
‘Jij moet geen rijlessen nemen, Toon. Er vallen doden, echt. Er vallen doden totdat je zelf omkomt in een door jou veroorzaakte kettingbotsing of een crash in een woonwijk. Gewoon niet doen. Niet rijden jij. Nooit meer. Ook niet op een afgelegen parkeerplaats met vier auto’s verspreid over een vierkante kilometer. Jij raakt ze. Nooit meer doen.’ Een korte pauze.
‘En anders laat ik vanaf morgen ook mijn gezichtshaar groeien en kom ik je ook persoonlijk achter het stuur vandaan trekken.’
Ik kneep mezelf om snel te ontwaken uit een vreselijke nachtmerrie, wat helaas niet lukte.



Terug