Terug

Reve I

Het is een van mijn vaste overtuigingen dat een bezoek aan om het even welke stad niet compleet is zonder een bezoek aan een tweedehands boekwinkel. Mijn voorkeur gaat daarbij dan uit naar afgelegen antiquariaten die gerund worden door wegstoffende bejaarden die weliswaar al zeer geruime tijd met pensioen kunnen, maar desondanks niets liever doen dan de hele dag tussen vergeeld papier doorbrengen, verguld van vreugde wanneer iemand de moeite neemt de winkel eens te betreden.

Een tijdje terug bevond ik me een drietal dagen in de politieke hoofdstad van ons land. Uiteraard verblijdde ik ook daar een personeelslid (vermoedelijk het enige) van een sterk verouderde boekwinkel met een bezoekje. Tot mijn grote genoegen stond er een man die oogde alsof hij al in een redelijk gevorderde staat van ontbinding verkeerde achter de toonbank. Op het moment dat ik over de drempel stapte, bromde hij me een goeiemiddag en stond op om enkele pronkstukken in de etalage te herschikken. Bij nadere beschouwing zag ik dat ik me in een kleine ruimte bevond, wat niets over de hoeveelheid gepresenteerde boeken verried. Grote hoeveelheden boeken ontnamen namelijk het volledige zicht aan elke muur: van binnenuit leek de winkel uit boeken opgebouwd. Ik bleek niet de enige bezoeker te zijn: in een hoekje zat een man op een krukje zacht rochelend in een bijbel te bladeren.

Als ik voor een alfabetisch geordende boekenkast sta, schiet ik als vanzelf in een soort autistische gesteldheid. Zo ook daar in Den Haag: als eerste zocht ik de boeken bij de letter G af. Ik keek goed, trok een paar boeken uit de uitpuilende kasten, liet mijn ogen over enkele willekeurige passages op de vaak genicotineerde pagina’s vliegen en zette het boek weer terug. Na de G loop ik altijd naar de C, dan naar H en B en, om het beste voor het laatste te bewaren, ten slotte naar de R. Toen ik na een tijdje de beschreven procedure bij een boek van de Grote Gerard Reve toepaste, zag ik in mijn ooghoeken dat de man in de hoek opstond van zijn krukje en reutelend mijn kant op kwam. Toen hij even later naast me stond, was ik bezig een passage tot me te nemen waarin er enkele zeer ongepaste doch diepzinnige en vermakelijke onzedelijkheden met een te jonge jongen werden uitgevoerd.
‘Mag ik jou wat vragen?’ zei de man naast me. Of althans, dat maakte ik uit zijn klankenbrij op.
‘Natuurlijk,’ zei ik en ik klapte het boek uit enige schaamte preventief dicht. Ik vermoedde dat de man, die, zo merkte ik op, niet bepaald appetijtelijke aroma’s verspreidde, iets wilde weten over mijn bijzondere literaire voorkeuren.
‘Welk luchtje heb jij op?’ vroeg hij echter. Ik schoot in de kramp, want de waarheid spreken was niet bepaald een optie (ik had eau de toilette van Playboy opgesprinkeld, die ik eens gratis bij een jubileumuitgave van het tijdschrift had gekregen toen er een door mij naarstig begeerde BN’ster naakt in verschenen was).
‘Tommy Hilfiger,’ zei ik daarom maar.
‘Ah zo,’ zei de man.
Hij keek me doordringend aan.



Terug