Terug

Reis

Wie op expeditie gaat in de bergen, wie op safari gaat om oog in oog te staan met gevaarlijke schepselen der natuur, wie in een klein bootje de wereld over zeilt, kortom wie iets levensgevaarlijks onderneemt, gaat nooit alleen. Voor je eigen en voor elkaars welbevinden zorg je voor gezelschap dat je kan steunen in slechte en supporteren in betere tijden. Nu komt het zeer zelden voor dat ik op expeditie ga in de bergen, dat ik op safari ga om oog in oog te staan met gevaarlijke schepselen der natuur of dat ik in een klein bootje de wereld over zeil, maar aangezien het meest levensgevaarlijke wat een mens doen kan uit de schoot van zijn of haar moeder klauteren is, en ook ik dus dagdagelijks het idee heb op een levensgevaarlijke tocht te zijn, heb ik ook iemand naast me nodig. Goddank vond ik die reisgenoot inmiddels een kleine acht jaar geleden tijdens een klassenexcursie naar Wenen op een verder verlaten plein.

Die bijna-acht jaar, die hebben we niet cadeau gekregen. We hebben ons in die tijd tot reisgenoten des levens moeten vormen door regelmatig onze messen te slijpen en door ons regelmatig klaar te maken voor een strijd die niet werd beëindigd voor één van ons (let op: hier volgt beeldspraak, het lievelingsgereedschap der literatoren) hevig bloedend het strijdtoneel zou verlaten. Zo organiseerden we een paar jaar geleden een surpriseparty voor een gezamenlijke vriendin. Als vanzelfsprekend kwam dat idee niet uit mijn koker, maar evengoed bood ik rondborstig mijn twee linkerhanden aan, die van dienst zouden kunnen zijn bij het opzetten van de partytent in het stadspark. ‘Graag,’ zei Lisa, en al even graag, dan niet nog veel liever, had ze me die middag zien verdwijnen, toen ik al godverdegodverdegodverend een tentstok op mijn knie in drieën sloeg. Een half uur later, Lisa had inmiddels een plan B in werking gesteld, werd de surprise-vriendin enorm gesurpriset door allerlei vrienden en familie, een slagroomtaart, een schaaltje vers fruit, een half opgezette maar ondanks alles nog fier rechtopstaande partytent en door mij, luid mokkend tegen een boom vijf meter verderop. Toen Lisa en ik de tent drie uur later weer probeerden af te breken, liep ik om uiteenlopende redenen dusdanig rood aan dat ik een overgebleven peer uit het bakje vers fruit viste en die, aardig knap gezien mijn werpkunsten, tegen Lisa’s linkerwang kegelde. De eerste seconde na de klap was het stil. Toen nam ze de peer op van het gras, glimlachte en gooide hem met een sierlijke boog terug in het schaaltje. ‘Sukkel,’ zei ze en ze gniffelde hoorbaar, terwijl ze met haar hand over haar wang wreef.

Zoals ik al schreef: we hebben allemaal iemand nodig op onze reis doorheen de sightseeing van het leven die ons steunt in mindere en support in betere tijden. Allemaal hebben we iemand nodig die peren terug in bakjes gooit en allemaal moeten we zo nu en dan, volkomen terecht, zachtmoedig ‘sukkel’ worden genoemd.



Terug