Terug

Plassen

Ik ben een aantal keer vanwege onoplettendheid door een rood stoplicht geknald en ik heb weleens een hand snoepjes bij de Jamin in mijn jaszak gestopt, maar verder heb ik de wet slechts zelden overtreden. Dat heeft me een braaf karakter opgeleverd – eentje van ‘de ideale schoonzoon’ en van ‘daar zou ik er wel een klas vol van willen hebben’- en het is heerlijk om daar op gepaste tijden – verschrikkelijk onethisch doch des te vermakelijker - misbruik van te maken.

Slechts weinigen geloven mij namelijk wanneer ik op feestjes, partijen en andere afspiegelingen van de hel op aarde schunnigheden waarin een onvervalste hoofdrol voor mij is weggelegd, te berde breng. ‘Is dat echt waar?’ plegen velen na zo’n anekdote aan mij of aan mij naast omringenden te vragen. Een vraag waarop ik het antwoord voor m’n eigen sjeu steevast in het midden laat liggen.

‘Ook mijn blaas zet me zo nu en dan dusdanig onder druk dat ik niet ga wachten tot ergens een porseleinen troon opdoemt,’ zei ik vorige week om een pijnlijke stilte op een schoolfeest te doorbreken. Mensen keken op van hun telefoon en lurkten nog eens aan hun pretcilinder.
‘Jaja,’ vervolgde ik, ‘menig boom en struik heeft van mij een flinke straal verse voedingsstoffen te verwerken gekregen.’ Ik liet de woorden op de mensen inwerken, en wachtte tot iemand ja zegt of vraagt. Je weet niet of en wanneer hij komt, dus een spannend moment brak aan.
‘Ja?’ vroeg iemand toch nog redelijk snel en ik ging door.
‘Jaja, heus waar. Ik zal jullie eens wat vertellen.’ Een korte stilte wekte nieuwsgierigheid.
‘Een maand terug was ik een weekend in Rotterdam, en ik had me nogal te goed gedaan aan “gezelligheidsbevorderaars” zal ik maar zeggen. Nou, van het een komt het ander en dus maakten mijn nieren overuren. Een soort dreigende inwendige watersnoodramp, maar dan anders. Soms moet er gewoon wat uit, weet je.’
Een oudere man knikte instemmend, twee jongere dames liepen weg. Ik sprak onverstoorbaar verder.
‘Ik zwalkte wat over de Coolsingel. In de verte verscheen plots een prachtige muur, pikzwart en toch glashelder. Ja, dacht ik, dat is het. Daar moet ik heen. Ik dronkemande naar de muur, trok mijn broek omlaag en verloste mezelf. “Meneer,” hoorde ik even later achter me, “meneer, bent u zich ervan bewust dat u hier tegen een van de meest exclusieve hotels van Rotterdam staat te urineren? Wilt u daar wel ogenblikkelijk mee ophouden!” Ik kneep af zoveel ik kon, niet heel veel, verontschuldigde me mompelend, borg de zaak op, merkte dat ik toch nog niet uitgezeken was en stak mijn hand uit, die vervolgens niet werd geschud. Ik keek recht in het gezicht van een breedgeschouderde beveiliger – met zo’n V op z’n jas – en zag de vlekken die mijn lichaamssappen op de muur van het Hilton hadden gemaakt. Ik werd door hem en een uit het niets verschenen collega naar binnen gesleurd, waar ik eerst mijn plasje af mocht maken op een met glinsterende stenen ingelegde toiletpot en waar ik vervolgens door twee aangesnelde agenten een preek kreeg te verduren. Als verrassing schreven ze een fikse prent uit.’ Bij die laatste woorden verstrakte mijn blik.
‘Is dat echt waar?’ vroeg een van de weinige dames die tijdens mijn verhaal was blijven staan.
‘Ach ja,’ antwoordde ik. ‘Ik ga even wat te drinken halen,’ en terwijl ik wegliep van de groep moest ik moeite doen me niet al te hardop te verkneukelen over zoveel onwetendheid.



Terug