Terug

Piraat

Van piraten heb ik mijn leven lang niets moeten hebben. Ik vermoed dat ik in een eerder leven als scheepsknaap eens een stoute streek uithaalde, zeg dat ik uit verveling wat veren uit het prachtig gekleurde dek van de papegaai van de hoofdpiraat trok, en als straf daarvoor meerdere malen overdwars ben gekielhaald, net zo lang tot de dood erop volgde.

Desalniettemin smolt ik van vertedering toen Lisa me tijdens de eerste winter van onze verkering op de markt in Sittard met een wit ooglapje tegemoet liep. Nog voordat ik kon vragen welke gebeurtenis aan de wieg stond van deze bizarre modewending, viel ze huilend in mijn armen terwijl ze snotterend ‘kerstboom, kerstboom,’ voortbracht. Het was winter, sneeuwvlokjes dwarrelden sfeervol op ons neder als in een sprookje van Grimm, kortom het was zeer prachtig allemaal, maar met de verklaring die mijn nieuwbakken vriendin me gaf, kon ik zogezegd helemaal geen klote.
‘Hoezo, kerstboom?’ vroeg ik liefdevol, terwijl ik een van mijn handen door haar blonde haar haalde en de andere in mijn jaszak naar een zakdoekje zocht. Hortend en stotend vertelde ze dat ze van haar grootmoeder een echte mini-kerstboom gekregen had, al met al niet groter dan een literfles frisdrank, die ze juichend van enthousiasme in ontvangst had genomen. In de boom zaten mini-kerstballen en een mini-lichtslang in allerlei mini-kleuren. Toen ze haar boompje, dat ze op haar bureau had gezet om het bestuderen van lange, lange rijen Frans vocabulaire wat minder afgrijselijk te maken, van dichtbij wilde bekijken, prikte een van de mini-dennennaalden in haar oog. Ze wreef en wreef, alsof ze zo de pijn haar lijf uit kon drijven, maar alles bleek tevergeefs. Nog geen uur later constateerde de huisarts een hoornvliesbeschadiging, op te lossen door het oog rust te geven.
‘Ik schaam me zo,’ zei ze, ‘met dat lelijke ding voor m’n kop,’ en ik zag de tranen, die de aftocht hadden geblazen, weer naar boven komen. ‘Neeneeneenee, rustig maar,’ fluisterde ik en dat leek te helpen. ‘Je ziet er niet belachelijk uit. Je valt op, en dat is goed. Dan kijken meer mensen naar jou en is de wereld weer een stukje minder ellendig.’
Ze glimlachte. ‘Ik lijk wel een piraat,’ zei ze.
Ik haalde mijn schouders op.
‘Piraten kunnen ook lief zijn hoor.’ Onwillekeurig dacht ik aan het kielhalen, aan het ijzeren vest dat ik aan moest trekken alvorens ik onder de boot door getrokken werd, maar zei daarover niets.
‘Dat is waar,’ zei Lisa, ‘dan ben ik vanaf nu jouw piraatje.’
‘Dat is goed,’ antwoordde ik, liet haar arm in de mijne haken en wandelde met haar naar huis, waar inderdaad bleek dat piraten ook heel lief kunnen zijn.



Terug