Terug

Oren

De uitspraken ‘wat zeg je?’ en ‘kun je dat herhalen?’ behoren tot de toneelteksten die ik het meest gebruik in de komedie die het leven heet. Al sinds de jaren dat mijn kruin niet meer dan een meter van de grond was verwijderd, laat mijn gehoor te wensen over. Het is ook daarom dat ik als mini-versie van mezelf onder narcose moest zodat goedbedoelende doch in mijn ogen afgrijselijk kwaadaardige doktoren buisjes in mijn oren konden plaatsen, kleine kunststof prulletjes die het geluid van de wereld versterken, maar die desondanks na een korte periode de gehoorgang weer verlaten en via doucheputjes nieuwe avonturen in het riool tegemoet gaan.

Voorafgaand aan die operatie, waarvoor ik dusdanig bang was dat mijn kleuterharen van het angstzweet aan mijn voorhoofd vastplakten, moest ik door een lange gang wandelen. Op een van de muren in die gang was een levensgroot figuur geschilderd dat voor het zandmannetje door moest gaan, maar door een niet bepaald professionele schildershand was verworden tot een lelijke trol met een zakje zand in zijn linkerhand.
‘Kijk,’ fluisterde mijn moeder, ‘het zandmannetje. Die strooit straks wat zand in je oogjes en dan ga je lekker slapen.’
Ammehoela, dacht ik, het is goed met jou. Ik wil helemaal niet slapen. Maar zoals dat gaat met de medische wetenschap en weerloze kleuters, delven leden uit die laatste categorie steevast het onderspit, en zo lag ook ik in een mum van tijd op een ziekenhuisbed te wachten op dat zandmannetje. De muurschildering bleek vijf minuten later wel bijzonder inadequaat toen het zandmannetje een lange, zeer dunne en breedbesnorde anesthesist van in de vijftig bleek. In plaats van zand gebruikte hij een plastic mondkapje waardoor hij een smerig gas liet gaan dat ik diep in moest ademen voordat ik weggleed.

Ik werd wakker van mijn moeder die met een megafoon in mijn linker gehoorgang stond te converseren met mijn vader, die in het rechteroor hetzelfde deed. Toen ik mijn ogen opende, zag ik dat mijn ouders aan de andere kant van de kamer rustig overlegden en ik concludeerde dat de buisjes goed waren geplaatst. Terwijl mijn ouders hun lieve ‘en-hoe-is-hetgezichten’ opzetten en dichterbij kwamen, wreef ik de slaap uit mijn ooghoeken. Kleine, geelgekleurde korrels dwarrelden op het dekbed. ‘Toch het zandmannetje,’ kreunde ik en schrok daarbij blijkbaar zichtbaar van mijn eigen volume. ‘Hard hè,’ zei mijn moeder en ik knikte. Buiten zongen de vogels uit volle, volle, overvolle borst hun mooiste liederen. Ik lachte: de wereld had zich voor mij geopend.



Terug