Terug

Ontsnappen

Als ik ’s ochtends geweten had dat ik hier verdomme ruim een half uur met handboeien aan een plafondbuis zou hangen, was ik niet zo vrolijk opgestaan vanmorgen, dacht ik. Lisa, die zichzelf inmiddels van haar blinddoek en handboeien ontdaan had, kroop over de grond en zocht al ettelijke minuten redelijk tevergeefs naar een sleutel om mij te bevrijden. Ondertussen telde de klok af, seconden tikten weg als waren ze niets. Mijn vriendin hield me nauwkeurig op de hoogte van onze aanstaande ondergang.
‘Nog twintig minuten,’ zei ze. Een allesverzengende wanhoop nam langzaam maar zeker bezit van me, en geblenderd met wat razernij zorgde dat ervoor dat ik hard aan de handboeien trok. In plaats van losser kwamen ze nog strakker om mijn polsen te zitten. Het ijzer sneed in mijn vel. Ik schold het uit.
‘Maak je niet druk joh. Het is maar een spelletje,’ zei Lisa, vlak voordat de deur open zwiepte. Een man schreeuwde met een Duits accentje dat we in godsnaam de telefoon moesten gebruiken. Niet bellen, drááien, kwaakte hij te hard, drááien. De deur knalde weer dicht. Lisa drááide aan de telefoon en verloste me daarmee, op een mij nog steeds raadselachtige wijze, uit mijn benarde situatie. Hel en verdoemenis en ondergang en nogmaals verdoemenis.

Twintig minuten later, mijn hand had inmiddels klem gezeten in een te klein gat in de muur (‘Nee, je hand is te vet,’ volgens Lisa), ik had twee essentiële sleutels kwijtgemaakt, ik scheurde een belangrijke aanwijzing uit paniek in duizend stukjes en zo kan ik nog wel even doorgaan maar uit zelfbescherming laat ik dat achterwege, ging de deur wederom open.
‘Helaas,’ zei de man, deze keer uitstekend Nederlands articulerend. ‘Niet gered. Maar dat geeft niet.’ Aan Lisa legde hij uit hoe we uit de kleine kamer hadden kunnen ontsnappen. Iets met een foto en een touwtje. Geloof ik.
‘Snap je dat?’ vroeg hij, driemaal redelijk infantiel op rij, nadrukkelijk mij aankijkend.
‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Het is volkomen duidelijk.’ Ik begreep er niks van.

‘Ik heb pijn aan mijn polsen,’ zei ik toen we weer in de veilige buitenlucht wandelen. Ik toonde haar de dieprode striemen die ik had opgelopen. Of misschien beter: die ik mezelf had aangedaan.
‘Van die fluffy sekshandboeien waren het niet nee,’ zei ze. ‘Maar ik vond het wel leuk. Heel leuk zelfs.’ Ze glimlachte toen ze zei dat ze het volgende week eigenlijk nog eens wilde doen. ‘Het was echt leuk,’ besloot ze. ‘Echt leuk-leuk.’
‘Jazeker,’ zei ik, ‘leuk, dat was het. Leuk-leuk. Zeker. Maar ik heb wel wat pijn.’

De eerstvolgende nacht schoot ik wakker uit een verschrikkelijke nachtmerrie. In mijn slaapfantasie stond een schreeuwende nazi op het punt een fluffy kogel door m’n kop te knallen. Ik zat op mijn knieën voor hem en had nog nooit een grotere angst gekend. ‘Nein,’ riep ik. ‘Nein nein bitte nein!’
De man lachte luid, één hand op zijn buik, de andere om het pistool geklemd. Vlak voordat ik in mijn eigen zweet wakker werd, sprak hij in perfect Nederlands de woorden: ‘Maak je niet druk joh. Het is maar een spelletje. Snap je dat?’ Ik sprak de woorden waarvan ik nu al zeker ben dat ik ze nooit uit mijn geheugen gewist zal krijgen. ‘Het is volkomen duidelijk,’ zei ik, mijn polsen lichtjes masserend. ‘Volkomen duidelijk.’ Ik begreep er niks van.



Terug