Terug

Onderaan

Lang voordat ik bekend was met de geneugten die alcoholhoudende substanties in het menselijk lichaam teweeg kunnen brengen, was ik er meerdere keren per week druk mee in de weer. ‘Onderaan beginnen, met kleine stapjes,’ had mijn broer eens gezegd toen hij me op een familiebarbecue mijn eerste slok bier wilde zien drinken. Hij had al vaker aangedrongen, maar ik gaf nooit toe. Bier, was mijn stellige overtuiging, was slecht voor een mens. ‘Gewoon onderaan beginnen ja,’ zei ik en ik nam dat bijzonder letterlijk. Onderaan begon ik, onderaan het biertje. Ik liet het goudgele voor wat het was en concentreerde me op het viltje.

‘Dat ruikt lekker,’ zei ik, de verschillende kanten van het gekleurde kartonnetje onder mijn neus houdend. Ik snufte eraan zoals ik de hond van buren aan zijn eigen kruis had zien doen: vol overgave en ongelimiteerd genietend. Een voorwerp dat vers- en mufheid tegelijk verspreidde, zo’n geur had mijn neusharen voorheen nog niet beroerd. Het bracht mijn onrijpe gedachten terug naar een kampeervakantie van een jaar of vijf eerder. Het campingwinkeltje waarin alleen reeds vergeelde Duitse Donald Duck vakantieboeken werden verkocht. De geur benaderde die van de vakantiestrips, die op sommige pagina’s zelfs nog zwart-wit waren afgedrukt.
Mijn broer gaf me een duw in mijn zij.
‘Ik drink het wel op,’ zei hij en sloeg het bier in één teug achterover.

In de weken die volgden, leek elk terras me naar zich toe te schreeuwen. Mijn ogen schoten, wanneer ik over de markt wandelde, langs de verschillende gekleurde bierviltjes en soms nam ik er een mee naar huis. Op mijn eigen kamer ontdekte ik dat lang niet elk onderzettertje dezelfde aroma’s verspreidde: de een was vele malen lekkerder dan de andere. Langzaam maar zeker ontstond er een kartonverzameling van ongekende omvang. Het werd een sport om ook van de volstrekt onbekende biermerken viltjes te verzamelen, en wanneer ik een limited-editionviltje op een zonovergoten terrastafel zag liggen, was ik er als de kippen bij. Op mijn kamer stond een grote kist waarin ik zo veel mogelijk verschillende exemplaren bewaarde. Hoe veel dat er precies waren weet ik niet, maar ik kan me herinneren dat ik op een zaterdagochtend de hele vloer van mijn toch redelijk riante slaapkamer kon bedekken met onderling afwijkende bierviltjes. Toen mijn moeder die ochtend de deur van mijn kamer openzwaaide om een stapeltje versgevouwen was af te leveren en ze mijn ambachtelijk gelegde vloer opmerkte, werden haar ogen groot.
‘Gaat het niet wat ver?’ vroeg ze en ik ontkende door mijn hoofd hevig heen en weer te schudden.
‘Goed,’ zei ze. ‘Als je alles straks maar netjes opruimt.’ Even hevig als ik juist schudde, knikte ik nu. Omdat ze merkte dat over de viltvloer lopen heiligschennis zou zijn, legde ze de was voor de deur en vertrok weer. ‘Onderaan beginnen, met kleine stapjes,’ fluisterde ik tegen de honderden uitgestalde viltjes op de vloer. Onderaan beginnen: het was een aardig advies geweest.



Terug