Terug

Modeshow

‘Craving for attention’ is de Engelse vertaling voor aandacht zoeken en daarmee is het voor wat betreft de inleiding van deze column ook gelijk weer gedaan.

Twee jaar geleden was ik namelijk ook hartstochtelijk aan het craven voor attention. Mijn ontluikende docentschap zorgde ervoor dat ik ook buiten de vaak verstikkende muren van het klaslokaal de ogen op me gericht wilde hebben. Ik hoefde dan ook geen twee keer na te denken toen mij gevraagd werd om in het kader van de jaarlijkse eindejaarsgoededoelenactie (26 letters nondeju, een gegarandeerd scrabblesucces) van mijn opleiding een modeshow ‘op een ludieke wijze’ te presenteren. Aan het einde van de show zou de kleding, die eerder door studenten uit lang vergeten hoeken van smerige kasten te oud, te klein of juist te groot was bevonden, voor het goede doel geveild worden. Aan de presentator de taak het publiek op te warmen, opdat het geld achteraf makkelijker uit hun broekzakken geklopt kon worden. Natuurlijk ging ik dat doen, zei ik toen ik werd gevraagd. Natuurlijk. Voor de opleiding had ik dat over, ruim drie kwartier quasi-enthousiast voor mij volstrekt onbekende merknamen door een microfoon gillen, onderwijl opzichtig verlekkerd naar de modellen knipogen waarmee ik de lachers op mijn hand zou krijgen, zo stelde ik me dat althans voor, ja hoor, ik zou die taak op me nemen. Geen probleem. Dat ik geen jurk van een topje kon onderscheiden en dat ook mijn kleurenwaarneming niet immer even sterk is gebleken, vond ik zelf van ondergeschikt belang.

Op de dag van de grote show, de uren voor de kerstvakantie wilden zelf ook niets liever dan maar voorbij zijn, kreeg ik in de ochtend een korte instructie over hoe met de microfoon om te gaan van de conciërge.
‘Je moet zeg maar dat ding niet in je muil stoppen, maar er ook weer niet te ver vanaf houden,’ zei hij in een Limburgs dialect dat ik amper kon verstaan. ‘Je weet wel hè,’ voegde hij er geheimzinnig aan toe, alsof hij zinspeelde op een opmerking uit een eerdere ontmoeting waarin de conciërge en ik in het fietsenhok onze diepste zielenroerselen met elkaar hadden gedeeld. Het zal een opschudding van jewelste gaan veroorzaken, maar zo’n ontmoeting is er dus nooit geweest. Alhoewel ik dus helemaal niet ‘wist wel hè’, knikte ik maar van ja en vertrouwde op de voorzienigheid of iets anders dat me uit mijn vijfenveertig minuten tellende improvisatie zou gaan redden – dat lukte vrijwel altijd wanneer er ogen op mij gericht waren. Van angst of zenuwen was dus ook geen sprake, ook niet toen ik samen met een studiegenote, die een dag eerder plots de rol van medepresentatrice kreeg toebedeeld, het podium betrad. In de zaal ontwaarde ik talloze studiegenoten en docenten, wat mijn zelfvertrouwen alleen maar deed groeien.
‘Een bijzonder goedenavond Sittard!’ schreeuwde ik door de microfoon, me daarna gelijk realiserend dat het half twee in de middag was. Goedenavond bekte desalniettemin beter, oordeelde ik nadat ik me van mijn fout bewust werd. Achteraan in de zaal hoorde ik een bekende stem ‘heuj’ roepen.
‘We hebben achter de coulissen tientallen bloedmooie modellen klaarstaan die uw oogbolletjes gaan verwennen door de prachtigste creaties aan u te showen,’ ik wist dat ik met die ene zin minstens drie leugens verspreidde maar ik ging onverstoorbaar verder, ‘en aan het einde van deze show kunt u alle kleding – ik herhaal: alle kleding – van de modellen bemachtigen op de veiling. Is me dat pot-vol-blommen geen fantastisch nieuws!’ Ik keek mijn studiegenote aan, ten teken dat zij het stokje over moest nemen. Ze voelde dat goddank goed aan en ze vervolgde mijn verhaal en verschafte daarbij de juiste informatie. Ook kondigde ze het eerste model aan, een docent die ik alleen van gezicht kende. Een uurtje eerder waren mijn medepresentatrice en ik overeengekomen dat ik de kleding van het eerste model zou omschrijven en de daarbij behorende merknamen zou benoemen. Terwijl de docent, een man van een jaar of vijftig, met zichtbare tegenzin over de geïmproviseerde catwalk sjokte, tetterde ik verder.
‘Johan draagt hier een oogverblindende combinatie zoals u ziet. Halleluja, ik word stikjaloers zeg. Johan, wat doe je me aan man! Zijn schoenen matchen zoals u allemaal kunt zien uitstekend met zijn jas. Het is prachtig, het is werkelijk prachtig. En die broek dan, godallahboeddha in de gloria in het kwadraat maal zeven. Ik zou maar goed kijken hoor, want voor je het weet is Johan weer weg. Ik weet gewoon niet wat ik moet zeggen,’ en ik merkte aan de paniekerige toon waarmee ik die laatste zin uitstootte dat ik het meende. Ik had toch godverdomme geen enkel greintje verstand van welke vorm van lichaamsbedekking dan ook. Waarom stond ik hier dan op een podium voor een man of honderd in gristusnaam een modeshow te presenteren? Een intense sensatie van zelfhaat maakte zich van me meester. Ik merkte dat ik nog ratelde, woorden kwamen als letterdiarree uit mijn eetgat, ik maakte een grap waar de heuj-stem hartelijk om moest lachen, en Johan liep weer af. Als hij zich aan het draaiboek hield, was hij zich inmiddels achter de gordijnen om aan het kleden voor zijn volgende ronde, over een kwartier.

Ik zat de rit met pijn en heel veel moeite uit. Tot drie keer toe moest de conciërge op het podium klauteren om me chagrijnig microfoonaanwijzingen toe te fluisteren, ‘ik wist toch wel?’ en van mijn enthousiasme bleef weinig meer over. Het werd al met al een redelijk treurige aangelegenheid, die nog enigszins uit het slop werd getrokken door mijn medepresentatrice die zonder zichtbare moeite en met hoorbaar plezier de kledingstukken en hun merken van elkaar onderscheidde. Mijn onstuitbare zelfvertrouwen en aandachtshoererij namen op dat podium per minuut significant af, totdat ze tijdens het slotapplaus een tragisch dieptepunt bereikten. Toen we dat applaus in ontvangst namen – mager, maar één iemand floot toch op zijn vingers – trok ik het niet meer.
‘Blijf je niet voor de veiling?’ vroeg mijn medepresentatrice en hoe graag ik haar ook had willen zeggen dat ik natuurlijk bleef, zei ik dat ik helaas een dringende afspraak bij de huisarts had.
‘Oké,’ zei ze, ‘jammer. Ik vond het leuk. Je deed het goed.’
‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Dankjewel. Jij ook.’ Met een onrustig gevoel trok ik de deur van de school achter me dicht en wandelde een half uur door de kou naar huis, waar ik me op de bank onder een deken verschool voor de wereld en alles eromheen.



Terug