Terug

Masker

Ik lag ’s ochtends in bad met een uitgesmeerde dot geelgroene avocadocrème op mijn gezicht toen ik de basis voor een toen nog te schrijven column bedacht:

Reeds vele malen schreef ik over enkele ongeschreven omgangsvormen die zich, in de zeven jaar dat Lisa en ik inmiddels schrikaanjagende blijdschap en verdorven ellende met elkaar delen, gevormd hebben. Vaker dan me lief is komen die erop neer dat ik me als een onhandige slungel die keer op keer op keer op keer op keer op keer in belachelijke situaties verzeild raakt en dat Lisa, duidelijk de enige in mijn belevingswereld met een echte broek aan, me uit de brand helpt of juist aanzet tot zaken die ik helemaal (he-le-máál) niet wil. Om eens een voorbeeld uit die laatste categorie te noemen: uit mezelf zou ik bijvoorbeeld nooit ofte nimmer in bad een hydraterend avocado-gezichtsmasker op mijn wangetjes en voorhoofd uitsmeren om mezelf een betrekkelijk onnodige ‘ochtendboost’ te geven. Veel liever zou ik me in het warme water in alle rust en reinheid bezighouden met het ontkrachten van wat overbodige dogma’s en paradoxen als ‘Alles wat in de tegenwoordige tijd bestaat, is een overblijfsel uit het verleden’ en ‘Om vrede te sluiten moet je eerst oorlog voeren’, maar nee, voor Lisa’s leedvermaak moet ik badderen met een masker dat ze, speciaal voor mij, voor 89 cent op een markt gekocht had. Ingepakt overhandigde ze het me. Er zat zelfs een strik op, een felrode. ‘Veel dank,’ zei ik en legde het ding terzijde. Het inpakpapier vouwde ik netjes op en de strik gaf ik aan haar terug, ik wist het anders ook niet. ‘Ik ga even in bad,’ vervolgde ik en realiseerde me gelijk welk een kapitale blunder ik beging.

‘Jawel, even een fotootje,’ zei ze tien minuten later giebelend doch uitermate dwingend toen ik onder lichte dwang de crème over mijn gezicht uitsmeerde tot een verschrikkelijk zittend masker. Alleen mijn ogen en mond mochten gevrijwaard blijven van de smurrie. Toen ze een aantal duizend kiekjes had gemaakt, vroeg ik of ze me alleen wilde laten, want ik wilde even gaan badderen. ‘Als vanzelfsprekend,’ had ze geantwoord, en toen ze de badkamerdeur achter zich dicht had getrokken wenste ze me nog een ‘fijn genietmomentje’ toe ook.

De adembenemende damp die een half uur geleden uit het water opsteeg, was door roosters opgeslokt. Van filosoferen over dogma’s was weinig terechtgekomen, en ook de paradoxen bleven paradoxaal. Alles wat restte was een te strak zittende drab op mijn gezicht, die ik pas verwijderd kreeg na té hard boenen waardoor mijn gezicht rood was geworden – een andere kleur in het spectrum dat ik de komende vast van voor naar achteren en weer terug af zou gaan.
‘Lekker gebadderd?’ vroeg Lisa.
Er zit wat in, dacht ik, helemaal onzinnig is het eigenlijk niet: om vrede te sluiten, moet je eerst oorlog voeren.
‘Nee,’ zei ik, mijn geschaafde gezicht verbergend achter de handdoek waarmee ik pretendeerde mijn nat geworden haren af te drogen. ‘Helemaal niet.’



Terug