Terug

Mars

In zijn veelgeprezen debuut Blauwe Maandagen schrijft Arnon Grunberg een passage waarin het hoofdpersonage tijdens een proefwerk in de gordijnen klimt en deze ruw naar beneden trekt omdat een of andere stomme trut hem de goede antwoorden weigert voor te zeggen.
‘Soms doe je iets, en dan denk je later: waarom deed ik dat?’ schrijft Grunberg na het beschrijven van die voor mij legendarische en inspirerende scène.
Omdat ik me in mijn schrijven de afgelopen weken ben gaan toeleggen op het gebruik van zeer, zeer vergezochte metaforen en bruggetjes zou ik deze anekdote graag willen gebruiken om een impulsief besluit mijnerzijds te illustreren.

Zoals u heel, heel, heel, heel misschien weet staat Sittard naast Toon Hermans en het prachtige, historische stadscentrum ook bekend om de jaarlijkse Kennedymars: een wandeltocht van maar liefst tachtig kilometer door de hele provincie en door een stuk België. Tachtig kilometer afzien. Meerdere keren zag ik de stoet van duizenden achterlijken met bloed, zweet en blaren over de finishlijn kruipen. Aan mijn lijf geen polonaise, hield ik mezelf al die keren voor.

Bloed kruipt echter waar het niet gaan kan: mijn leven lang koester ik een fascinatie voor onbereikbare zaken. (‘Kan niet ligt naast wil niet op het kerkhof,’ zei ik tijdens een van mijn eerste lessen eens voor de klas. Vijfentwintig holle blikken staarden me aan, één iemand stond op en verliet het lokaal.) Tijdens een gesprek vorige week met een medemalloot kwamen we over de dodenmars te spreken.
‘Ik wil dat doen,’ zei ik, verbaasde mezelf en had zo goed als gelijk spijt. Toch herhaalde ik de boodschap.
‘Ik ook!’ zei hij, ‘al heel lang! Te gek! Dan gaan we samen! Gaan we trainen?’

Ondanks dat ik de tachtig kilometer pas over ongeveer een half jaar ga afleggen, droom ik nu al van chirurgen die met zwaar geschut mijn zwartverkleurde voeten amputeren.
‘Dan ga je toch niet,’ zegt Lisa steevast wanneer ik haar over mijn horrorfantasieën vertel, ‘je hóéft het niet te doen. Voor niemand.’
‘Nee,’ zeg ik dan, realiseer dat ze gelijk heeft en bedenk dat ik desondanks niets liever wil dan het wél doen. Daar wandelen, strompelen, kruipen en er de lol van inzien. Mijn blik omhoogwerpen, de voorjaarszon voelen schijnen na twintig kilometer. Verlekkerd gruwelen over van mijn door blaarvocht doorweekte sokken halverwege. Een bijna-doodervaring op driekwart. Huilen. De finish in zicht hebben, maar toch willen stoppen. Krijsen, maar doorzetten. Denken: soms doe je iets, en dan denk je later: waarom deed ik dat? Waarom zei ik ja? Kwaad zijn op mezelf. Doorgaan, hoe dan ook over die streep klauteren. Het halen, in de auto terug naar huis in slaap vallen. Drie weken moeilijk lopen. En achteraf toch trots zijn en eindelijk goed slapen. Ik kan niet wachten.



Terug