Terug

Lerarengevaar

Wat leraren en beroemdheden verbindt, is de angst om in het grote boze Dagelijks Leven herkend en gefotografeerd te worden. Gebeurt dat bij BN’ers door in de struiken verscholen geldzuchtige fotografen, leraren worden belaagd door puberazzi die maar al te graag een kiekje van de ‘docent in het wild’ snapchatten naar hun klasgenoten.

Alhoewel ik nog geen volwaardig docent ben, heb ik als stagiair op verschillende scholen al de nodige uurtjes voor de klas gestaan en een leerling of vierhonderd enkele beginselen der Nederlandsche taal bijgebracht. Dat brengt dus met zich mee dat waar ik ook ga of sta, er binnen Sittard altijd een (ex-)leerling in een straal van twee meter in mijn buurt is. Gevaarlijk. Laatst ontmoette ik een leerling na een iets te nachtelijk geworden feest in een shoarmazaak. Met promillages alcohol in mijn bloed waar de gemiddelde Jellinekker jaloers op zou zijn, probeerde ik het meisje zo goed als mogelijk te negeren. Dat lukte me, al zeg ik het zelf, behoorlijk slecht. Ik glimlachte, bewoog mijn heupen van links naar rechts en van voor naar achteren en gooide mijn armen eens in de lucht terwijl ik voor haar een vast onverstaanbare woordenstroom brabbelde, want ze lachte en liep met een shoarmarol met een flinke klodder knoflooksaus in haar handen proestend de zaak uit (ik vernam dit een dag later tot onmetelijk grote schaamte).

Van een docent (wegens privacyoverwegingen verder aangeduid als Gerard, want zo heet hij nu eenmaal) vernam ik ooit echter dat alles altijd gênanter kan. Gerard ontmoette een van zijn leerlingen tijdens een bezoek aan de sauna, zo vertelde hij me eens in de lerarenkamer tijdens de lunch.
‘En dat was niet op dinsdag-zwembroekendag’, voegde hij er aan toe terwijl hij zijn boterham met Spaanse stinkchorizo naar binnen propte. ‘Ik begroette d’r in vol ornaat,’ zei Gerard, en mijn hart maakte een sprongetje van het woord ‘ornaat’. ‘Met mijn vrouw aan mijn rechterhand verdomme. Ik heb het meisje begroet, ben opgestaan en met mijn vrouw dat stoofpand uit gevlucht.’ Ik grinnikte. ‘Gelukkig kunnen telefoons niet tegen hete stoom,’ zei ik, en Gerard maakte het gat in de ozonlaag in een klap drie keer zo groot door lachend zijn gore knoflookadem in mijn gezicht uit te blaffen.



Terug