Terug

Leraarschap

We spraken af dat, mochten onze levendige ambities in de toekomst volledig de soep in sprinten, we waar en hoe dan ook dan maar een lerarenopleiding zouden gaan volgen. We zouden elkaar dan weer treffen op dezelfde middelbare school, alleen dan niet in een muffig stinklokaal met een schrift met onbegrijpelijke wiskundige figuurtjes voor onze neus, maar in de lerarenkamer, chagrijnig lurkend aan een bak slappe koffie. ‘Het leraarschap als sociaal vangnet,’ riepen we eens gebroederlijk. Elke dag wensten we vurig dat we zo snel mogelijk met onze diploma’s het gebouw konden verlaten, we ons konden omdraaien en gekscherend ‘tot ziens’ konden roepen. We konden en wilden het niet bevatten, het leraarschap.

In de jaren die volgden begon ik, overigens zonder dat al te veel andere toekomstdromen stukliepen, het allerallerallerallerlaatste alternatief serieus te belichten. Ik beleefde opvallend veel plezier aan het lezen van boekjes en spreekbeurten gingen me over het algemeen verrassend goed af. Eenmaal riep een docent door de klas dat ik het leraar-zijn zou moeten overwegen. Ik lachte en dacht dat hij wist van de grappen die ik met mijn vaste strijdmakker aan eenieder die het niet wilde horen liet horen. Ergens begon ik echter te vermoeden dat de docent groot gelijk had.

Dat vermoeden groeide uit tot een ontegenzeglijke waarheid. Nog wat later koos ik met volle overtuiging voor de lerarenopleiding. Terwijl ik leerde over didactische do’s en don’ts, verloor ik mijn vriend uit het oog. Mijn ambities had ik omgebouwd tot haalbare uitwegen, hij bleef bewonderenswaardig knokken voor de zijne.

Vorige week liep ik hem tegen het lijf in het centrum van Maastricht. Tijdens de gebruikelijke sociale bulkpraat die je uitkotst wanneer je iemand een tijdlang niet gezien hebt, vertelde ik hem wat er van mij geworden was.
‘Je maakt een grap,’ zei hij, zijn ogen verwijdend.
‘Nee,’ zei ik. ‘Grappen maak ik nooit. Het is waar: ik begin aan het laatste jaar van de lerarenopleiding. Daarnaast loop ik ook nog het hele jaar betaald stage, dus je zou kunnen stellen dat ik het ben.’
‘Wat?’ vroeg hij. Het kwam me voor dat hij het echt niet kon, wilde bevatten.
‘Leraar,’ zei ik. ‘Ik ben leraar.’
Hij keek me aan, zijn wenkbrauwen in een hem typerende fronsing.
‘Tja,’ zei hij, ‘ieder zijn ding.’
Ik keek hem aan, bevestigde zijn uitspraak en voelde me trotser dan ooit.



Terug