Terug

Lente

Wanneer ik me op welke gelegenheid dan ook voorstel met mijn voornaam, voltrekt zich in de vijftien daarop volgende minuten minimaal één van de volgende twee clichés. Ófwel men maakt in flauwe tot zeer flauwe woordgrap waarin mijn oer-Limburgse naam zit verwerkt en waarom ik beleefdheidshalve vaak nog ‘haha’ zeg terwijl ik van binnen dusdanig kwaad word dat ik de ‘woordkunstenaar’ in kwestie het liefst de mond zou snoeren door deze eigenhandig dicht te naaien (waarbij het feit dat ik noch met naaimachine, noch met naald en draad kan omgaan, in acht genomen dient te worden), ófwel men vraagt of ik naar die andere zeer grote benijdenswaardige Sittardse Toon ben vernoemd. Tot mijn spijt moet ik in die gevallen steevast ‘nee’ antwoorden.

Vorig jaar was het jaar waarin Toon honderd jaar geworden zou zijn. In dat kader werd op de markt in Sittard een tijdelijk Toonmuseum geopend. Als licht liefhebber van zijn vrolijke tijdloze grapjes besloot ik gebruik te maken van mijn cultureel recht en mij met mijn vriendin naar de markt te verplaatsen, alwaar we een aantal uur ronddwaalden in en door het leven van de grootste Sittardenaar aller tijden.

Tot nog toe verborgen schatten gingen voor ons open - lichte bewondering sloeg binnen korte tijd om in idolate obsessie. Vooral het lievelievelieve liedje ‘Lente me’ sprak zeer tot onze verbeelding. ‘Lente me,’ zagen we een breekbare Toon op het eind van zijn leven, vlak na het overlijden van zijn grote liefde zingen. Of zingen, eerder was het fluisteren. Lente me, zomer me / September me en winter me / want ik heb jou voor altijd lief. Aan het eind van zijn liedje fonkelden in zijn beide ogen tranen van liefdesvuur.

Toon Hermans ligt samen met zijn Rietje op een loopafstand van tien minuten van ons zeer knusse studentenappartementje begraven. Vorige week besloten ik en mijn vriendin daarom als eerbetoon een bepaald aantal rode rozen op zijn graf te leggen.

‘Daar ligt ‘ie,’ zei ik wat ongemakkelijk toen we voor zijn rustplaats stonden. ‘Daar liggen ze,’ zei Lisa, me verbeterend. ‘Tsja.’ De stilte trad een minuut of wat in. Hand in hand keken we naar de lichtgrijze grafsteen. ‘Lente me,’ fluisterde Lisa plotseling zachtjes terwijl ze op een aantal narcissen wees die links van het graf bloeiden. Ik keek haar kort verbaasd aan. ‘Zomer me,’ antwoordde ik na een tijdje, voorzichtig omhoog kijkend alwaar de zon haar best deed de paar resterende wolken te verdrijven. ‘September me.’ ‘En winter me.’ Ik pakte Lisa stevig bij haar schouders vast. ‘Want ik heb je onophoudelijk lief,’ besloot ze, waarbij ze op elke lettergreep van dat lange woord een klemtoon legde. Toen ik haar dankbaar aankeek, zag ik dat haar ogen fonkelden.



Terug