Terug

Kotsen

Soms is het beter niet al te lang om de hete brij heen te draaien en gelijk tot de kern te komen. Twee jaar geleden werkte ik als leidinggevende bij een grote blauwe supermarkt met hamsters. Op een avond werd ik daar zo ziek van een magnetronmaaltijd dat ik behoorlijk moest overgeven. Helaas had mijn maag geen zin te wachten tot ik veilig en wel op m’n knieën voor het toilet zat en daarom stond ik voor ongeveer een tiental absoluut ongemotiveerde pubers onsterfelijk voor lul in de kantine van de winkel.

Hoe zeer ik ook probeerde de anti-peristaltische reflexen een halt toe te roepen en hoe dicht de toiletpot ook in de buurt was, het tragische noodlot bleek onafwendbaar. Met bolle wangen en een vaart die ik daarna nooit meer heb behaald stormde ik vanuit de winkel de kantine in, op weg naar de verlossing. Collega’s die juist van een verdiende lunchpauze genoten of zich opmaakten voor weer een nieuwe avonddienst, keken verstoord van hun krantje of telefoon op. Een jongen die aan een blikje cola lurkte, keek me met grote ogen aan toen ik mijn maaginhoud op de kantinevloer (en op de witte deur van de nieuwe koelkast) klaterde. Twee meisjes riepen ‘O my fucking God’ en maakten zich gezamenlijk uit de voeten. Drie andere jongens lachten hoorbaar. En terwijl ik me opmaakte voor een tweede golf, kwam mijn baas fluitend binnenwandelen.
‘Gaat het?’ vroeg hij reteretorisch, toen hij me gekromd zag staan voor een plas kots om U tegen te scanderen. Een tweede, nog intensere stroom braaksel belette me zijn vraag te beantwoorden. En toen iemand een ongelukkige halve minuut later met eenzelfde bak magnetronsaté als die mijn misselijkheid een uurtje eerder had veroorzaakt binnenwandelde, bleef ook een derde ferme straal niet uit.

‘Dat is me toch ook wat,’ hoorde ik nog iemand gedecideerd mompelen toen ik wat later op m’n knieën mijn eigen bruingekleurde gal van de koelkastdeur probeerde te schrobben. Het ging er nog verdomd lastig af ook, maar om hulp vragen zou een – haast onmogelijke – nog grotere afgang betekenen. Dus ik poetste alles weg, leegde drie liter allesreiniger op de vloer om de geur van satékots enigszins te verbloemen met die van frisse citroen en grapefruit en maakte me uit de voeten. De fietstocht naar huis beloofde een lange, lange martelgang te worden die me twee jaar later nog steeds af en toe van mijn slaap houdt.



Terug