Terug

Koffie

Sigaretten, bier en koffie hebben met elkaar gemeen dat je ervan moet leren genieten. De eerste, tweede en derde keer dat je van deze volwassenengeneugten proeft, ervaar je een afgrijselijke smaak, maar voel je je ontzettend stoer. De daaropvolgende vijf keren verbetert de smaak nauwelijks en het stoerheidsgehalte wordt drastisch gehalveerd. Alle keren dat je daarna met je inhalige mondje aan de Drie Verslavende Goederen komt, doen je in de hemel en de hel tegelijk belanden.

Een roker ben ik nooit geweest. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid durf ik te beweren dat mijn laatste adem uit schone longen voort zal komen. Ook de alcoholfilters in mijn lever zullen niet gauw overwerkt thuis komen te zitten. Koffie daarentegen lurk ik met zwembaden tegelijk naar binnen. Daarbij opgemerkt dient te worden dat het koffieslurpen dusdanig met het docentenbestaan is vergroeid dat er serieuze plannen zijn de ‘koffiekunde’ op te nemen als verplicht examenonderdeel voor af te studeren nieuwkomers in het onderwijs.

De impact die het plots defecte koffiezetapparaat op mijn stageschool vorige week had op de humeuren van de docenten, bleek dan ook immens. Waar men elkaar in de ochtendlijke uren doorgaans vrolijk groet en spreekt over de heerlijkheid van de afgelopen of aanstaande vakantie, heerste nu een dodelijke stilte in de lerarenruimte – en ik moet toegeven: ook ik had me weleens opgewekter gevoeld. Bij gebrek aan beter roerde ik bergen suiker door slappe thee, die verzorgende kantinedames in aluminium potten op de tafel hadden gezet. Hun gezichten bij het inschenken van de thee leken op die van mijn moeder wanneer ik in vroeger jaren met hoge koorts op bed lag. ‘Blijf maar lekker thuis,’ zei ze dan terwijl ze me een aai over mijn bolletje gaf. Het pijnlijke besef dat zoiets er vandaag niet in zou zitten, drong langzaam tot me door.

‘Ik ga in mijn tussenuur maar even naar de winkel,’ doorbrak een van de docenten de stilte en zonder daar verder iets aan toe te voegen begreep iedereen dat ze een noodrantsoen oploskoffie in ging slaan. Nu het er ernstig op leek dat de cafeïnezucht van de medewerkers binnen afzienbare tijd bevredigd zou gaan worden, ontwaakten de meeste docenten uit hun chagrijn. ‘God ja, goed idee’ en ‘Ben je gek, ik ga gelijk nu wel even,’ hoorde ik opgewekt om me heen.

Met enige jaloersheid dacht ik nog geen twintig minuten later, terwijl ik als een gretig Sint-Maartenkindje voor onze Messias om een zakje koffiepoeder bedelde, terug aan de tijd dat ik koppen koffie nog verfoeide. Dat ik het meende als ik ‘Wie wil dát nu drinken?’ vroeg. Dat ik de drab in de koffiefilter van mijn moeder diep, diep verachtte. Toch smaakte de koffie die middag beter dan ooit, en aan de gezichten van mijn collega’s te zien, was ik niet de enige die dat zo ondervond.



Terug