Terug

Kettinkje (verkering II)

Ze kocht een ketting voor ons, allebei een half hart dat samen één zoet geheel vormde. Ze zei dat ik de ketting altijd om moest doen zodat iedereen zou zien dat wij bij elkaar hoorden, dat voor iedereen duidelijk zou zijn dat we voor elkaar waren bestemd. ‘We kennen elkaar net drie dagen,’ had ik willen zeggen, maar slikte het in. Ik nam het kettinkje in ontvangst, kuste haar op haar wang die me deed denken aan dat van mijn oma: alleen waren de ouderdomsvlekjes die zij met een bepaalde trots op haar gezicht droeg, bij Sterre tienduizend sproetjes, individueel haast onzichtbaar maar samen een solide geheel vormend.
‘Wat lief. Ik heb ook iets voor jou.’ Uit mijn tas haalde ik een fotolijstje met een foto die mijn beste vriend de middag dat Sterre en ik elkaar tijdelijk eeuwige trouw beloofden maakte. Hij had gezucht en uiteindelijk toegestemd toen mijn vriendinnetje vroeg of hij een foto wilde maken van ons, we konden met poseren vast oefenen voor de bruiloft die vast niet meer lang op zich zou laten wachten, en steeds meer werd het me duidelijk dat hij een onbeschrijflijke wijsheid met zich meedroeg. ‘Kies geen van beiden,’ had hij me op het hart gedrukt toen ik door twee kleine sprieten voor een onmogelijke keuze werd gesteld: met wie van de twee wilde ik verkering? Ik had de situatie het van het verstand laten winnen, ik had me laten overrompelen door vrouwmensen zoals dat later nog veel meer gebeuren zou. Impulsiviteit, dat is een gave die telkens verkeerd uitpakt. Sterre nam het fotolijstje van me aan en kuste het stukje glas waarachter mijn portret schuilging. ‘Honnepon,’ fluisterde ze en kneep zachtjes in mijn hand.

De eerste dagen van onze natuurlijk door overrompelende verliefdheid, witte duiven en rozenblaadjes op het pad des levens in de vergetelheid geraakte verkering, belde ze elke avond. Ze wilde weten wat ik die dag gedaan had, en ik vertelde haar dan dat ik ’s ochtends en in de middag naar school was gegaan en daarna gelijk door was gefietst naar haar, of dat ik naar huis was gegaan waar zij op mij had zitten wachten.
‘En vond je dat leuk?’ vroeg ze telkens, met een breekbaar stemmetje. Ja, zei ik dan. Ja, dat vond ik leuk. Vervolgens vertelde zij over haar dag, over hoe ze haar kettinkje aan al haar klasgenootjes had laten zien, over hoe ze het fotolijstje op haar bureautje in de klas had gezet en over hoe de voorbereidingen voor haar spreekbeurt vorderden. Die spreekbeurt, die ging over mij. ‘Wat is je lievelingskleur?’ vroeg ze daarom op een avond. Ik zei groen, omdat dat de fijne kleur is van het stoplicht, eindelijk mag je dan doorrijden. Met een zakdoekje veegde ik in mijn ooghoek. ‘Welterusten,’ zei ik en verbrak de verbinding.



Terug