Terug

Kast

Mijn zusje werd onder een aan de wand hangende boekenkast geboren en dat is iets waar ik tot op de dag van vandaag stikjaloers op ben (ikzelf werd op een regenachtige donderdagochtend in een grijs ziekenhuis door ruwe verplegershanden uit mijn moeder getrokken). Die kast trok na een verhuizing een paar jaar na haar geboorte bij mijn kamer in, waar hij in de daaropvolgende jaren respectievelijk werd gevuld met verhaaltjes voor het slapen gaan, stripbundels, Paul van Loons, Kluuns en Gipharts en ten slotte met Reves. Toen ik een aantal jaar geleden het ouderlijk huis tabeede nam ik de kast niet mee. Hij werd in een fris kleurtje geverfd en teruggehangen bij mijn zusje.

Mijn ‘oudpapiercollectie’, zoals sommigen beweerden, moest dus snel een nieuw onderkomen krijgen. Research op internet wees uit dat de uitbreidbare Billy van een niet nader te noemen Zweeds blauwgeel woonwarenhuis (u weet wel, die winkel met die balletjes en met de indoor kinderspeelplaats waar menig peutertraan vloeit omdat kinderen denken dat hun ouders ze achter hebben gelaten en ze nooit meer ophalen – het zou verdomme eens goed voor die kinderen zijn als ouders nu eens wérkelijk niet meer terug zouden komen, maar dat volkomen terzijde) een uitstekende keuze was. De klantenreviews bij Billy waren prima en een vlugge omrekensom van de verkoopaantallen leerde dat er elke vijf seconden ergens ter wereld een Billy werd verkocht. ‘Moet wel goed zijn dan,’ zei ik en sprong in de auto. Ik wilde de auto starten, maar ondervond dat ik geen idee had hoe dat eigenlijk moest omdat ik geen rijbewijs bezat. Gelukkig toonde mijn spiksplintere huisgenote zich een redderin in nood die me naar de shop tufte.

Mijn plotselinge verwardheid bleek voort te zetten: het bleek geen zeer goed plan om op Hemelvaart naar de woonboulevard af te reizen. Tientallen, honderden, schijnbaar duizenden Duitsers bleken in ons grensgebied te hebben besloten óók Billy’s te gaan aanschaffen. Oude tijden herleefden en een acuut opkomende xenofobie maakte grote angsten in mij los. Mijn wederhelft sleurde me echter dapper door de meterlange ingerichte keukens (‘Kijk ook eens ín de la!’) en woonkamers. Na een tocht die drie uur leek te duren en in werkelijkheid niet veel korter was kwamen we bekaf, uitgeput en noem alle synoniemen voor afgepeigerd doodop kapot moe maar op aan bij de boekenkast. Ik keek naar Billy. Hij zag er netjes uit: donkerbruin, haast zwart hout dat zonder twijfel in staat zou zijn mijn verzameling trots tentoon te stellen. ‘Doe die maar,’ zei ik tegen een medewerker die vervolgens doodleuk opmerkte dat we de onderdelen beneden in het magazijn zelf bij elkaar dienden te sprokkelen. Mokkend liepen we de route af naar beneden waar uiteindelijk alle Billy’s door vervelende oosterburen bleken te zijn ingepikt. Een magazijnmedewerker zei dat we eventueel het showmodel met wat korting konden meenemen en verwees daarvoor naar collega van de boekenkastafdeling. Daarna excuseerde hij zich: het was druk en hij moest nu écht door.
Ik keek Lisa aan. ‘Korting is fijn,’ zei ze, geraffineerd doelend op ons oprakende budget. ‘Ja, korting is fijn,’ herhaalde ik onmenselijk diep zuchtend en speurde in elk hoekje van mijn lichaam en geest naar moed om me tegen de bulkende stroom boekenkastjatters in te werpen. Alles voor Billy.



Terug