Terug

Kabouters

Het begon allemaal toen ik gulzig en met het schuim der verwachting om mijn mond een opmerkelijk cadeautje uit presentjespapier rukte.
‘Goh,’ zei ik gedempt. ‘Een tuinkabouter.’
‘Ja,’ hoorde ik bevestigen. ‘Een tuinkabouter. We wisten het anders ook niet.’
Er trad een korte stilte in, waarin ik het ding van boven tot onder in me opnam. Het betrof een tuinkabouter in zonnige sferen: om zijn middel had hij een groene zwemband en in zijn hand iets wat een cocktail moest voorstellen.
‘En dat op Kerstavond,’ zei ik, het prulletje terzijde leggend.

Bij gebrek aan een eigen tuin belandde de kabouter bovenop de kledingkast, waar hij nét rechtop kon staan. Ik verbaasde mezelf door in de loop der maanden een bepaalde vriendschappelijke relatie met hem op te bouwen. Op een zondagochtend doopte ik hem tot ‘Jean-Louis’ en ik sprak tegen hem als was hij een huisdier. ’s Nachts, wanneer mijn ogen in mijn slaap sneller heen en weer schoten dan… dan alles wat exorbitant snel heen en weer schiet, sprak hij nog terug ook. Hij uitte dan veelvuldig zijn eenzaamheid op momenten dat ik in de schoolbanken een toekomstticket bijeen zwoegde. De vrolijke glimlach om zijn zonnig hoofdje bleek bij nadere beschouwing inderdaad verdwenen. De ijsklontjes in zijn cocktail waren in rook opgegaan. Spoedig zou Jean-Louis verkassen naar de tuin waar hij binnen een week of wat volledig overwoekerd zou zijn: het feest leek over en voorbij.

Totdat ik op een rommelmarkt een vrouwtje voor mijn beschilderde terracotta-vriend vond. Ook zij leek in zomerse stemming: ze maakte de blits door in haar felroze bikini en een glas wijn in haar handen te zonnebaden. Fantastisch, dacht ik en ik hoopte Jean-Louis hier een grote dienst mee te bewijzen. Later bleek ‘een grote dienst’ een understatement: de twee raakten hopeloos verliefd en dachten na over kinderen. Ik vroeg ze zulk soort perversiteiten uit te voeren in de uurtjes die J.-L. voorheen door eenzaamheid overvallen werd, en zo geschiedde. Jeanne-Louise, zoals ze zichzelf genoemd had om haar grote liefde te eren, bleek er wel pap van te lusten en de ene na de andere kabouter verkleinde de resterende ruimte op de kledingkast. Al spoedig stonden de kabouters ook op de vensterbank, op, onder, in en naast mijn nachtkastje, in de boekenkast, in een hoek van de kamer en later ook nog in de handdoekenkast op de badkamer, maar daar werd door enkele medebewoners vriendelijk doch buitengewoon dwingend een verbod op gelegd.

‘En zo, beste kaboutervriendjes, zo kwam het dat een jonge jongen op een dag achter zijn computer ging zitten, op zoek naar de hoeveelheid kabouters die hij nog nodig had om het wereldrecord van de grootste verzameling tuinkabouters ooit te breken. Wat het resultaat van zijn zoektocht was? Dat vertel ik de volgende keer!’



Terug