Terug

Jouw

Tijdens een les probeer ik aan te geven hoe belangrijk taal in ons dagelijks leven is.
‘Taal is alles,’ zeg ik tegen mijn klas. ‘Taal zorgt er voor een belangrijk deel voor dat we zijn waar we zijn. Taal beheerst alles wat we denken. Sterker nog: taal ís ons denken en zet er tegelijkertijd continu toe aan. Taal is veel meer dan jullie denken, en ook nog veel meer dan ík denk.’
Een groepje leerlingen dat aanzienlijk te laat is, druppelt de klas binnen. Ik laat me niet afleiden en vertel verder.
‘Taal zet aan, taal overdrijft, taal ís,’ probeer ik licht dadaïstisch. ‘Taal ontroert.’
Een meisje achteraan schiet wakker. ‘Hoezo, taal ontroert?’ zegt ze, alsof ik haar enorm beledigd heb. ‘Hoezo ontroert taal? Ik moet huilen van een film, niet van taal.’
Nu doorpakken, denk ik, nu kan ik ze pakken. Door mijn hoofd schieten tientallen poëtische hoogstandjes die me in de loop der jaren zeer ontroerend voor zijn gekomen, maar deze doelgroep met poëzie bekogelen is vragen om een tegenaanval. Ik besluit voor ieders bestwil de betekenis van ‘ontroeren’ wat op te rekken.

‘Mijn opa en oma lijden beiden aan de ziekte van Alzheimer,’ zeg ik, zonder om de hete brij heen te draaien. Ervaring met deze leerlingen heeft geleerd dat dat sowieso weinig uithaalt, om hete brijen heen draaien. Recht door zee is de enige juiste richting. ‘Dat is voor iedereen heel vervelend, Alzheimer’ vervolg ik. ‘Niet leuk. Soms hebben ze door dat ze aftakelen. Dat is nog vervelender, maar het is niet anders. Ze krijgen de beste hulp van allemaal hele lieve mensen. Die zorgen dat ze op tijd hun medicatie innemen en dat er geen gevaarlijke situaties ontstaan. Maar goed, ik draai er weer omheen merk ik. Het zit zo. Vorige week ging ik bij ze op visite. Op een van de kastjes in hun huisje stond een klein wit vaasje met een vrolijk bloemetje erin. ‘Een roos voor jouw,’ stond er in kinderlijke letters op gekrabbeld.’
Ik schrijf de woorden op het bord. Een roos voor jouw.
‘Mijn oma heet Roos, dus dat is op zich een grappige vondst. Wat leuk, dacht ik, vast een cadeautje van het buurjongetje. Om dat te bevestigen vroeg ik aan mijn oma van wie ze dat had gekregen. “Van opa,” zei ze, wijzend op de oude man in de stoel. Ik schrok me rot. Waarom? Er stond een spelfout op die vaas. Jou moet in dit geval zonder w worden geschreven, zoals jullie weten.’
Ik kijk naar de klas. De klas kijkt terug.
‘Mijn opa maakt geen spelfouten. Mijn opa is een zorgvuldig man, zowel met zijn handen als met zijn taal. Mijn opa maakt geen spelfouten.’ Tijdens het uitspreken van die laatste zin leg ik de nadruk op elk afzonderlijk woord. Mijn. Opa. Maakt. Geen. Spelfouten.
‘Ik was uit het veld geslagen, maar dat wilde ik niet laten merken. Ik vond het verschrikkelijk. De ziekte openbaarde zich nu dus ook in taal. Niet alleen hun herinneringen gaan eraan, ook hun taal wordt afgebroken. Langzaam, maar heel, heel zeker. Ik wist niet wat ik moest doen en ben de rest van het bezoek heel erg stil geweest.’
Ik val stil, maar herpak me snel.
‘Dat is dus een voorbeeld waaraan je kunt zien dat taal kan ontroeren,’ zeg ik tegen de klas in het algemeen en tegen het meisje in het bijzonder.
Met open mond staart ze me aan, het meisje. Ik kan haar kauwgom zien zitten. ‘Ja,’ zegt ze, ‘heel mooi. Maar echt niet leuk, nee.’
Ik schud mijn hoofd zacht heen weer en pers mijn lippen op elkaar.
‘Maar toch moet ik ook nog steeds huilen van een film,’ besluit ze.
Ik lach en ga verder met de les.



Terug