Terug

Jong

Mijn hobby’s en fascinaties brengen met zich mee dat ik zo nu en dan, omringd door tientallen bejaarden in een muffig achterafhokje in een verder vergeten bibliotheek naar de boeiende woorden van een schrijver luister. Aanvankelijk had ik wat moeite met het feit dat ik in mijn eentje vaak in staat ben de gemiddelde leeftijd van de lezingbezoekers ruimschoots te halveren, maar in de loop van de jaren heb ik leren leven met de onterecht minachtende blikken van veel AOW’ers. Wanneer ze mij vinden, lijken hun ogen steeds te zeggen ‘Jij hoort hier niet’ of ‘Je moet hier zeker een verslag voor je school van maken’. Het jong-zijn lijkt voor hen synoniem aan een met de paplepel ingegoten afkeer van alles wat met kunst en cultuur te maken heeft. Vooruit, het moet gezegd: slechts weinig leeftijdsgenoten vertonen een vorm van intrinsieke motivatie wanneer ik ze vraag gezellig een avondje mee te gaan om inspirerende woorden en gedachten van de intelligenten der aarde tot ons te nemen, maar geheel uitgestorven is het nog niet.

Een tijdje terug was ik bij een lezing van Wim Daniëls, een door mij erg gewaardeerde (want: bovengemiddeld grappige) taalkundige die in de stadsschouwburg van Sittard zijn zegje kwam doen. Aldaar schrok ik toch weer even wakker uit mijn jonge-jongensbubbel. Toen ik een momentje opkeek van mijn mobiele alleskunner, bleek dat ik niet alleen samen met mijn vriendin de jongst aanwezige was (afgezien van een zichtbaar verveelde puber die onder hevige dwang van zijn moeder meegesleurd leek), maar dat de leeftijd die het dichtst bij de mijne in de buurt kwam mijn tweeëntwintig jaar zeker verdubbelde. Nu kon dat te maken hebben met het onderwerp van de lezing - Daniëls promootte een boek waarin hij herinneringen aan de vroegere Lagere School ophaalde – maar toch overviel me de gedachte dat het aantal bidprentjes van de mensen in de zaal binnen een aantal maanden waarschijnlijk een aardige stapel zou vormen.

In de pauze dronk ik samen met mijn vriendin een cola. Een ouder echtpaar schoof, bij gebrek aan een lege tafel, aan bij ons.
‘Wij komen even bij u hoor, als u het niet erg vindt,’ zei de vrouw. Ik zag dat haar ketting af en toe verdween in haar hals- en nekrimpels.
‘Dat is goed hoor,’ zei ik en sprak verder met mijn vriendin. Toen er een korte stilte viel, hapte de vrouw, die blijkbaar over goed functionerende afluisterskills bezat, toe.
‘Wat doet u eigenlijk hier?’ vroeg ze plots. Eigenlijk niet zo heel erg stomverbaasd antwoordde ik dat ik Wim Daniëls al jaren bewonderde en een kans een van zijn lezingen bij te wonen niet aan me voorbij wilde laten gaan.
‘Ah zo,’ zei ze. Ik zag dat haar man haar een klein tikje tegen haar bovenbeen gaf. ‘Nou,’ vervolgde ze. ‘Wij gaan weer naar de zaal hoor, veel plezier nog.’
Ik keek mijn vriendin aan. Ze staarde naar me met een onwaarschijnlijk verontwaardigde blik en nog voordat ze ‘Hoorde je dat?!’ kon kwaken, voerde ik haar terug naar de zaal.
‘Laat ze maar,’ zei ik toen we weer zaten. ‘Ze weten gewoon niet beter.’



Terug