Terug

Jaja

‘Knoeien is een bijverschijnsel,’ zegt de medewerkster van het verzorgingstehuis terwijl ze met een vochtig doekje het appelsap dat mijn opa over zichzelf gemorst heeft, tevergeefs probeert weg te deppen. ‘Het hoort er allemaal bij en is helemaal niet erg.’ Als ze merkt dat haar gewrijf geen zoden aan de dijk zet, stopt ze en neemt de schouder van mijn opa vast. ‘Helemaal niet erg hoor,’ zegt ze tergend langzaam en overdreven hard. ‘Jaja,’ mompelt mijn opa goedkeurend, en in die twee woorden herken ik hem meer dan ooit.

Knoeien is geen bijverschijnsel maar een familiekwaal, denk ik als de verzorgster ons haar rug weer heeft toegekeerd. Al sinds onze vroegste jeugd knoeit elk afzonderlijk lid van de familie Roumen er tijdens elk maal van de dag lustig op los. Zo ook ik. Niet voor niets kocht mijn moeder toen ik uit huis ging eerst een slabbetje met een poepig groen konijntje erop voor me, en daarna pas borden en bestek. Eten smaakt beter als je een beetje bewaart aan de zijkant van je gezicht, in een plooi van je shirt of op of onder de tafel.

Mijn opa zit op het terras van het verzorgingstehuis en staart de keurig onderhouden tuin in. ‘Jaja,’ zegt hij nogmaals, uit het niets dit keer. De dubbele bevestiging die hij zijn leven lang al te pas en te onpas in de ruimte slingert, symboliseert zijn nuchterheid en, in zekere zin, zijn onverschilligheid. Het maakt hem niet uit hoe het leven loopt, of het naar links gaat, naar rechts of stug rechtdoor. Hij ondergaat het en ziet wel waar het schip strandt. Al sinds onze eerste ontmoeting 22 jaar geleden (het schijnt beregezellig te zijn geweest) straalt mijn opa een bewonderenswaardige rust uit, en zelfs nu, nu de eeuwige rust zich over hem aan het ontvouwen is, blijft hij zijn eigen kalme zelf. Van opstandigheid of een andere vorm van vervelendheid is geen sprake.

De zon heeft de appelsap op zijn hemd opgedroogd. Er is niets meer van te zien. Mijn opa kijkt nog altijd de tuin in, waar talloze oudjes talloze malen dezelfde rondjes wandelen en ik zit naast hem. Zonder dat het gesproken woord eraan te pas hoeft te komen, weet ik zeker dat we hetzelfde denken. Jaja, denken we, en dan nogmaals: jaja.



Terug