Terug

Internet

Ik schrijf dit stukje uit pure armoede. Mijn nachtmerrie, evenals die van waarschijnlijk zeer, zeer veel eenentwintigste-eeuwers, is op de dag dat ik deze woorden neerpen op een gruwelijke, mensonterende wijze de wereld van de rauwe werkelijkheid binnengetreden. Ik ben de wanhoop nabij, en dat is voor de verandering niet eens (heel erg) gelogen. Het is ook nog eens al de godganse dag aan de gang, en ik kan er niets aan doen. Uitzitten, de rit uitzitten, is de enige remedie. Kalm blijven en uitzitten. Ach en wee, het is verschrikkelijk.

‘Wat moeten we nu in godsnaam gaan doen?’ vroeg ik zojuist aan Lisa, die met een van duivelse kwaadheid rood doorlopen kop voor de boekenkast stond.
‘Ik ga lezen,’ snauwde ze.
‘Luister eens, ik kan het ook niet helpen,’ zei ik terwijl ook ik steeds kwader werd. Vanwaar al dat onrecht? Waar hadden we het aan verdiend? Waarom was God Nederland zo slecht gezind? Is dat eigenlijk wel een correcte uitdrukking, ‘iets slecht gezind zijn’? Ik weet het niet en ik kan het niet opzoeken! O, verlos ons!
‘Ik weet het niet meer,’ piepte ik, ‘ik weet het niet meer. Niks is nog mogelijk. Ja, een spelletje. Spelletje doen?’
‘Nah.’
‘Ik ga wel schrijven dan. Godverdomme.’

Confronterend is het wel. Het probleem blijkt hardnekkiger dan verwacht. Ik ben er niet trots op, maar ik kan blijkbaar echt niet meer zonder. Wanneer internet en televisie door problemen bij de provider niet aanwezig zijn, vervaag ook ik steeds verder. Ik krijg de uren gewoonweg niet om. De klok wordt mijn grootste vijand; ik kijk net zo lang naar de grote wijzer van de klok tot er een minieme beweging zichtbaar wordt. Dan ben ik blij en doe een inwendig dansje. Hoera! Weer een minuut dichter bij bedtijd.

Lisa slaat met driftige slagen haar bladzijdes om, ik drum met agressieve tikken de toetsen van mijn toetsenbord. We zijn kwaad, woest om deze tijdverspilling. We zijn het zat een potje te vegeteren in ons eigen huis. Kotsbeu zijn we het.

Het is waar: elk nadeel heeft z’n voordeel. Over negen maanden zullen heel veel baby’tjes het levenslicht tegemoet krijsen. Onvermijdelijk bereiken zij ooit de leeftijd waarop ze zaken met een bepaalde nieuwsgierigheid tegemoet treden. Wanneer hun ouders uitgelegd hebben hoe dat nu zit, met die bloemkolen en die ooievaars, zullen ze ook vragen wannéér precies papa en mama dan ‘zo heel erg veel van elkaar hielden’. Papa en mama zullen elkaar aankijken, glimlachen, en dan terugdenken aan een noodzakelijk avondje vroeg naar bed. Goed idee, eigenlijk.



Terug