Terug

Henk

De sprookjesachtigheid van de Efteling betovert mij meer en nog vaker dan men doorgaans van mij verwacht. Sinds een jaar mag ik mezelf de trotse bezitter van een abonnement op het Brabantse pretpark noemen en ondanks dat ieder bezoek gepaard gaat met de nodige uurtjes heen en weer gereis in de auto, ben ik er ongeveer één keer per maand te vinden.

Het personeel kent me inmiddels bij naam. Wanneer ik het park betreed, drommen de medewerkers zich om me heen om me welkom te heten. Ze strooien met rozenblaadjes en snoepgoed en duwen me speciale pasjes in mijn hand waardoor ik niet achteraan in de wachtrij hoef aan te sluiten, maar gelijk aan welk ritje dan ook kan beginnen. Tevreden neem ik wat presentjes in ontvangst. Vier vaste medewerkers laden me op een troon die ze vervolgens optillen om me de gehele dag door de fantasiewereld te dragen.
‘Waar wilt u heen mijnheer?’ vragen ze, net nadat een hoogblonde werkneemster me druiven aan een tros heeft gevoerd.
‘Doe Droomvlucht maar,’ antwoord ik. Die attractie bekoort mij na al die keren nog het meest: een rit door een romantische droomwereld vol elfjes op schommels en schattig ogende konijnen. En een vijvertje met heel veel muntjes. Van dat kaliber.
Daar aangekomen begroet ik Joop en Henk, de twee volstrekt fantasieloze werknemers die de godganse dag in een hokje naar camerabeelden uit de Droomvlucht koekeloeren. Ik denk dat ze ongeacht het seizoen ’s avonds graag boerenkool of hutspot eten. Ze checken dag in, dag uit of niemand verboden handelingen uitvoert en controleren of er geen kleine kinderen uit de karretjes tien meter de diepte in hun gruwelijke dood tegemoet vallen. Nooit gebeurd, wel veel jengelende koters toegewenst. Joop is stil, lijkt alleen te kunnen knikken en in te kunnen dommelen – dat laatste geheel in navolging van de attractie. Henk is dolenthousiast en idolaat van mijn verschijning. Vorige week stond hij zelfs voor mijn deur: ik had bij het pannenkoekenhuis per ongeluk twee euro te weinig teruggekregen. Toen ik zei dat ik er nadrukkelijk bij had gezegd dat dat fooi was, keek hij me niet-begrijpend aan. Na een ongemakkelijk tijdje leek het kwartje te vallen. ‘Waar hebben we het toch aan verdiend,’ riep hij, keek omhoog, liet zich op zijn knieën vallen en barstte in tranen uit. ‘Dag Henk,’ zei ik en sloeg de deur in het slot.

Na het eerste ritje in de Droomvlucht zeg ik tegen Henk dat ik nog een keer wil. Hij slikt en kijkt naar de immense rij wachtenden. Een bord geeft weer dat wie nu achteraan de rij aansluit, nog 45 minuten moet wachten. Hij sputtert wat onverstaanbare woorden. ‘Ja verdomme Henk,’ zeg ik. Ik stap uit het karretje en geef hem een klap in zijn lelijke oude-mannengezicht. Tranen stromen over zijn wangen en hij verontschuldigt zich duizend maal, maar het is te laat. ‘Ik ga nu dus weg, en ik kom nooit meer terug in deze godvergeten ballentent! Stik er maar in Henk! Het is klaar!’ Henk lijkt de wanhoop nabij. ‘Toon!’ roept hij. ‘Toon!’

‘Toon! Wakker worden!’ Lisa port me ruw uit mijn slaap. Als ik mijn ogen open, kijk ik regelrecht in glow-in-the-darksterretjes op het plafond. Een paar centimeter ernaast één grote halve maan. ‘Goedemorgen,’ gaap ik.



Terug